H. Lucas

 
Lukas (ook Lucas) Evangelist (ook van Achaia), BoŽthiŽ, Griekenland; Ü 1e eeuw.
Feest 13 februari (AntiochiŽ [Kib.1990]) & 22 april (oosterse kerk) & 9 mei (overbrenging relieken naar Constantinopel) & 20 juni (overbrenging relieken naar kerk van de HH. Apostelen in Constantinopel tezamen met die van de apostelen Andreas (30 november) en Thomas (3 juli) de profeten Elia (20 juli) & Elisa (14 juni) en de martelaar Lazarus van BethaniŽ (29 juli)) [Kib.1990;SHC.1985] en 18 oktober
 
Lukas is de naam die van oudsher wordt gegeven aan de schrijver van het derde evangelie.
Blijkens de eerste zin is het opgedragen aan een zekere Theůfilus.
Omdat het boek van de Handelingen der Apostelen is opgedragen aan diezelfde Theůfilus, wordt Lukas ook beschouwd als de schrijver van dat bijbelboek.
Over Lukas zelf is weinig bekend.
Volgens de overlevering was hij afkomstig uit de Syrische stad AntiochiŽ, waarschijnlijk van heidense afkomst. Dat baseert men niet alleen op het feit dat zijn evangelie bestemd was voor Jezus' leerlingen die van niet-joodse afkomst waren, maar ook op het feit dat Paulus hem uitdrukkelijk niet noemt als een leerling uit de besnedenen.
Men neemt aan dat hij de Lukas was die in het gezelschap van Paulus meereisde.

De grote apostel noemt hem in zijn brieven drie keer.
Hij houdt Paulus gezelschap tijdens diens eerste gevangenschap: "U groet Epafras, mijn medegevangene in Christus, alsmede Markus, Aristarchus, Demas en Lukas, allen medewerkers van mij" (Filemon 24).
In zijn brief aan de christengemeente te Kolosse noemt Paulus hem weer, nu alleen met Demas: "U groet mijn vriend Lukas, de arts, en Demas" (Kolossenzen 04,14).
Zou hij ook Paulus' lijfarts geweest zijn?
Ook als de grote apostel in Rome gevangen zit, is Lukas in zijn buurt te vinden: "Demas heeft mij in de steek gelaten. [-] Alleen Lukas is bij me" (2 Timotheus 04,10.11).
Dat Lukas een trouwe metgezel was, wordt nog eens versterkt door het feit dat sommige stukken in de Handelingen, waarin Paulus een hoofdrol vertolkt, in de wij-vorm geschreven zijn.
Alsof Lukas er zelf bij was.
Latere tradities veronderstellen, dat hij behoorde tot de (twee-en)zeventig leerlingen die Jezus voor zich uit zond naar alle plaatsen waarheen Hij zelf dacht te gaan (Lukas 10,01).
Gezien zijn Griekse naam, menen anderen dat hij een van de Grieken was die zich tot Filippus wendden met de vraag om Jezus te spreken te krijgen (Johannes 12,20-22).
Weer anderen nemen aan dat hij naast Kleopas de tweede Emmausganger was, die op de avond van de eerste dag van de week ontgoocheld naar huis terugwandelde en onderweg gezelschap kreeg van de verrezen Heer zelf, zonder dat ze het in de gaten hadden.
Ze herkenden Hem pas bij het breken van het brood, en dŠt, terwijl hun hart onderweg brandde bij de uitleg van de schriften die Hij hun had gegeven (Lukas 24,13-35).
Deze veronderstelling wordt gevoed door de omstandigheid dat Lukas de enige evangelist is, die dit verhaal vertelt; bovendien noemt hij wel de naam van de ene leerling, Kleofas, maar niet die van de andere.
Zou hij dat dus zelf geweest kunnen zijn?
Daar staat tegenover dat Lukas uitdrukkelijk aan het begin van zijn evangelie zegt dat hij naspeuringen moest verrichten om de gebeurtenissen rond Jezus te achterhalen.
Daaruit kan men de conclusie trekken, dat hij ze niet persoonlijk heeft meegemaakt.
Historisch gesproken echter is er over de evangelist verder niets met zekerheid bekend.
Na Paulus' marteldood in Rome zou hij het evangelie hebben verkondigd in ItaliŽ, DalmatiŽ (= het huidige Joego-SlaviŽ) en MacedoniŽ.
Op zijn oude dag trok hij nog naar Noord-Afrika, waar hij in LybiŽ en Zuid-Egypte christengemeenten visiteerde.
Uiteindelijk keerde hij terug naar BoŽthiŽ, een Griekse landstreek ten noord-westen van Athene.
Daar zou hij tenslotte zijn beide boeken, het Evangelie en de Handelingen, hebben geschreven op bestelling van Theofilus, de gouverneur van de Griekse landstreek Achaia.
 
Hij is de evangelist, die schrijft over de engel die aan Maria Jezus' geboorte komt aankondigen (01,26-38).
Hij heeft ons het 'Magnificat' overgeleverd, Maria's dankhymne: 'Mijn ziel prijst hoog de Heer', waarin zij zingt: "Arme en kleine mensen maakt Hij groot!" (01,46-56). Bij hem lezen we over de geboorte van Johannes de Doper bij Maria's bejaarde nicht Elisabeth (01,05-25.57-80).
Het is Lukas die ons vertelt over de volkstelling en dat Maria vlak voor Jezus' geboorte op reis moest; dat er voor haar geen plaats was in de herberg, en dat het kind dus in een kribbe werd geboren; herders uit de omgeving komen het aanbidden (02,01-21).
Via hem weten we over de 12-jarige Jezus die ongemerkt in de tempel achterblijft om met de schriftgeleerden de debatteren; zij staan versteld van zijn wijsheid. Zijn ouders vonden Hem pas na drie dagen terug.
Op de bezorgde vraag van zijn moeder waarom Hij hun dat had aangedaan, antwoordde Hij: "Wist u dan niet dat ik in het huis van mijn vader moest zijn?" (Lukas 02,41-52). Lukas' evangelie toont ons een biddende Jezus, die heel veel hart heeft voor armen en verschoppelingen.
Hij kent Jezus' verhalen over de Barmhartige Samaritaan (10,25-37), de Verloren Zoon (15,11-32), de arme Lazarus en de rijke vrek (16,19-31) en de farizeeŽr en de tollenaar die beiden opgaan naar de tempel om te bidden (18,09-14)).
Hij vertelt over Jezusí opmerkelijke bezoek bij Marta en Maria (10,38-42), de tollenaar Zacheus (19,01-10), de genezing van het kromgegroeide vrouwtje (13,10-17), de nieuwsberichten over de ingestorte toren en de moord van Pilatusí soldaten op offeraars in de tempel (13,01-05).
Hij heeft opgetekend hoe Jezus, stervend aan het kruis, om vergeving bad voor zijn geweldenaars (23,34), en hoe hij de goede moordenaar de toegang tot het paradijs toezegde (23,43).
Aan hem hebben we het prachtige verhaal van de Emmausgangers te danken (24,13-35).
In zijn Handelingen heeft hij ons het verhaal nagelaten van Jezus' hemelvaart (06,01-11) en van de nederdaling van de Heilige Geest op zijn leerlingen met Pinksteren (02,01-12).
Zijn geneeskundige achtergrond horen we uit de bijzonderheid dat Jezus aan het hoofdeinde van het bed van Petrus' zieke schoonmoeder gaat staan (04,39): dat is veel nabijer dan aan het voeteneinde.
Lukas merkt met nadruk op dat Jezus bij al de zieken die naar Hem toe werden gebracht, één voor één de handen oplegde (04,40). We horen hoe de Barmhartige Samaritaan wijn en olie op de wonden van het slachtoffer giet (10,34).
Wanneer Jezus preekt in zijn vaderstad, gebruikt Hij het spreekwoord: "Geneesheer, genees uzelf" (04,23).
Wordt Jezus aangevallen op zijn omgang met zondaars en verkeerde mensen, dan antwoordt Hij: "Niet de gezonden hebben een dokter nodig, maar de zieken" (05,31).
 
Hij zou op 84-jarige leeftijd gestorven zijn in een onbekende plaats in BoŽthiŽ.
Over de omstandigheden waaronder hij gestorven is, doen verschillende lezingen de ronde.
Zo zou hij één van de weinige christenen zijn uit de begintijd die niet door een marteldood aan zijn eind is gekomen.
Maar in de oosterse kerk weet men te vertellen, dat hij wel degelijk door toedoen van afgodenvereerders de marteldood gestorven is.
Zij zouden hem aan een olijfboom hebben opgehangen in de stad Thebe, BoŽthiŽ.
 
In het jaar 357 bracht keizer Constantius (Ü 361), de zoon van de heilige keizer Constanijn (Ü 337; feest 21 mei), zijn relieken over naar Constantinopel.
In de 5e eeuw kwamen er naar Orthosias bij Arca.
Tijdens de veroveringstochten van de westerse christenen in het oosten werd zijn stoffelijk overschot in Constantinopel buitgemaakt en overgebracht naar de Santa-Giustinakerk in de Italiaanse stad Padua.
Ook Rome (het Vaticaan, de Sint-Pieter en de kerk van Sint Martinus) en VenetiŽ (1464, San Giobbe) beroemen zich erop relieken van Lukas binnen de muren te hebben.
 
Sinds de zesde eeuw heeft de overtuiging postgevat, dat Lukas ook schilder was.
Zo zou hij portreticonen hebben vervaardigd van de apostelen Petrus en Paulus.
Bovendien staan er drie iconen van de Moeder Gods op zijn naam.
Dat verklaart meteen waarom Lukas zo veel weet van de omstandigheden waaronder Jezus geboren is en opgroeide: hij heeft het uit Maria's eigen mond gehoord, terwijl zij voor hem poseerde.
Dat tafereel is dan ook vooral in de middeleeuwse kunst vaak afgebeeld.
Daarnaast wordt hij vaak schrijvend afgebeeld, meestal vergezeld van zijn evangelistensymbool: het rund of de os.
Een van zijn vermeende Mariaportretten wordt vereerd in de Santa-Maria-Maggiore te Rome.
Daarnaast wordt hij ook beschouwd als de maker van het in feite 12de-eeuwse beeld van de Zwarte Madonna (La Moreneta, La Morena de la Serra) in de benedictijnenabdij van Montserrat (bij Barcelona).
 
De Belgische plaats Antwerpen-Ekeren heeft een Sint-Lucasziekenhuis; Brussel-Anderlecht een Sint-Lucaskerk.
Hij is patroon van de Duitse stad Reutlingen.
In ItaliŽ is hij beschermheilige van de steden Bologna en Padua.
In Nederland zijn er Sint-Lukaskerken in Amsterdam-Osdorp, Arnhem, Eindhoven, Elden, Hem, 's Hertogenbosch, Tilburg en Venhuizen. Amsterdam heeft ook een Sint-Lukasziekenhuis. Voorschoten heeft een Sint-Lukasschool.
Een groot katholieke scholen in de Randstad is ondergebracht in de Sint-Lucasstichting.
Hij is patroon van dokters, chirurgen, apothekers en alle beroepen die met artsenij te maken hebben; zeer vaak zijn en werden R.K. doktersgilden naar hem genoemd.
Hij is ook patroon van alle beroepen die met boeken te maken hebben, zoals schrijvers, notarissen, boekhandelaren, drukkers, boekbinders, papierbewerkers; op grond van de traditie dat hij Maria heeft geschilderd werd hij natuurlijk ook patroon van kunstschilders, beeldhouwers en alle andere beeldende kunstenaars, zoals glasschilders, glasblazers, graveurs, borduurders, en in het bijzonder boekverluchters.
Het 16e/17e eeuwse schildersgilde van de stad Delft was dan ook naar hem genoemd.
Ook is hij patroonheilige van het vee vanwege zijn evangelistensymbool, het rund; zo kon hij ook patroon worden van slagers.
Hij is ook patroon van bierbrouwers en van vrijgezellen