Feest van ALLERHEILIGEN*

 
Hoe heerlijk is het Rijk, waarin alle Heiligen jubelen met CHRISTUS ; gekleed in witte "kleren, volgen zij het LAM, waarheen Het gaat! (antifoon bij het Magnificat in 1ste vespers).

1.De geschiedenis van het feest:
De gedachte om alle Heiligen in een gemeenschappelijk feest te vieren gaat in het Oosten tot de vierde eeuw terug.
In die tijd werden slechts alle heilige martelaren gevierd.
Het feest werd op de eerste Zondag na Pinksteren, zoals nog heden bij de Grieken gevierd; in Syri vierde men het feest op Vrijdag na Pasen (in het Romeinse Missaal staat heden nog op Vrijdag de statiekerk Sancta Maria ad Martyres).
In Rome liet paus Bonifacius IV het hem door keizer Phocas geschonken Pantheon (dat door Agrippa in het 27 vr Christus ter ere van Augustus voor alle goden was gebouwd) in en kerk veranderen; daarin liet hij een grote menigte heilige relieken (naar men zeg 28 wagens vol) overbrengen en wijdde ze op 13 mei 610 ter ere van de Moeder Gods en alle heilige martelaren.
Daarom werd het feest van alle heilige martelaren op 13 mei (in de paastijd in het gevolg van de verrezen Heiland) gevierd.
Gregorius IV (827-844) verlegde het feest naar de 1ste November (of om de moeilijkheden van de verzorging der talrijke pelgrims naar Rome in het voorjaar, of om een andere reden, dat is niet duidelijk), en zo heeft het feest, dat tot alle Heiligen werd uitgebreid, tegen het einde van het Kerkelijk Jaar een passende plaats gevonden om de roemvolle voltooiing van het Rijk van CHRISUS en de wederkomst van de Heer voor te stellen (zie de teksten uit de Openbaring)

 

Afbeelding invoegen

2. Breviergebed:
Zoveel mogelijk zal hij, die de Liturgie lief heeft, vandaag ook naar het breviergebed grijpen, dat op dit feest zo hartverkwikkend en gemakkelijk te begrijpen is.
Op de vooravond luiden wij het door de 1ste vespers in.
De ziener van Patmos leidt ons in de geest naar de Hemel en toont ons de hemelse Eredienst voor de Troon van GOD en het LAM: "Ik zag een grote schaar, die niemand tellen kon uit alle volken voor de troon" en "Alle Engelen stonden om de Troon en vielen voor de Troon op hun aangezicht en aanbaden God."
Nu horen wij het lied van de verlosten.
"Gij hebt ons verlost, o Heer, en God, in uw bloed uit alle stammen, talen, volken en natin"; Gij heb ons voor onze God tot Koningen gemaakt."
Zo luiden de omlijstingverzen; wij zingen de gewone vesper psalmen, door de antifonen omlijst.
De hymne bezingt de afzonderlijke groepen van Heiligen onder aanvoering van de Moeder Gods; de engelen, de apostelen, de met purper getooide Martelaren, de Belijders en de Maagden.
In het omlijstingvers van het Magnificat verzekeren zij ons de voorspraak van de Heiligen.
De Metten, die wij in de nacht zingen, hebben veel verwantschap met het gemeenschappelijke van de martelaren; dit wordt hierdoor verklaard, dat de oorsprong van het feest tot de viering van de martelaren teruggaat.
Hoe Christocentrisch de Kerk de verering van de Heiligen opvat, toont zeer treffend de uitnodiging tot de metten: "De Koning der koningen, de Heer willen wij aanbidden, want Hij Zelf is de kroon van alle Heiligen."
De lessen van de 1ste nachtwake zijn uit de Geheime Openbaring en tonen ons wederom de Heiligen in de Hemel; de lessen van de 2de nachtwake geven ons een lieflijke preek van de H.Beda: "O waarachtige , gelukkige Moederkerk, die door de eer van de goddelijke waardigheid wordt bestraald, die versierd zijt door het roemrijke bloed van de martelaren, getooid met het glanzend wit van de onverlette maagdelijkheid!
Zo ontbreken aan haar kransen noch rozen en lelin.
Mocht gij toch allen, geliefden, evenzo wedijveren, om zulk een heerlijkheid en eer te verlangen en u te verwerven en door strijd te verdienen de beide kransen, de witte van de maagdelijkheid, de rode van het martelaarschap.
In het hemelse kamp hebben beide, de vrede en de strijd hun zegekransen, waarmee de strijders van CHRISTUS gesierd worden.
De onuitsprekelijke en oneindige goedheid van God heeft het ook z geregeld, dat de duur van het lijden en de strijd niet al te lang, gezwegen dus van eeuwig, duurt, maar kort, om zo te zeggen, slecht één ogenblik en dat er in dit spoedig voorbijsnellend leven voor de mensen moeite en strijd, in het andere, eeuwige leven daarentegen loon en kroon zijn weggelegd.
God heeft het zo geordend, dat de moeilijkheden spoedig een einde nemen, het loon voor de verdiensten echter eeuwig duurt; dat de heiligen na de duisternis van dit leven het helderste licht zien en een zaligheid ontvangen, die ver alle bitterheden van hun lijden overtreft, zoals de heilige apostel Paulus zegt: "Het lijden van deze tijd is niet te vergelijken met de toekomstige heerlijkheid, die aan ons worden geopenbaard."