DE LITURGIE SINDS VATICANUM II

Michael Davies
 
Uit: Katholieke Stemmen nr. 6 t/m 11, 1988
 
In het tijdschrift Christian Order, uitgegeven in Londen door Father Paul Crane S.J., werd eind 1987 een belangrijk artikel gepubliceerd over de ontwikkelingen in de liturgie sedert het Tweede Vaticaans Concilie. De schrijver ervan is Michael Davies, die eerder (tenminste) vier boeken over liturgische zaken heeft geschreven.
Wij danken de uitgever van Christian Order voor de toestemming, de tekst over te nemen in Katholieke Stemmen. Vertaling M. S.
 
IN PRINCIPIO ERAT VERBUM
"In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God en het Woord was God".
 

Afbeelding invoegen

De woorden waarmede het Evangelie volgens Sint Jan aanvangt, herinneren ons eraan, dat wij ter bestudering van welke kant ook der liturgie van de Katholieke Kerk, onze aandacht moeten richten op God.
De liturgie der Katholieke Kerk heeft slechts zin en betekenis in zoverre zij gericht is op God.
Sint Augustinus van Hippo, die vele jaren lang had getracht zonder God te leven, ontdekte tenslotte dat God ons voor zichzelf gemaakt had en dat onze harten geen vrede kunnen kennen, voordat zij rusten in Hem.
 
De oneindige Majesteit Gods en 's mensen onbeduidendheid, worden door alle psalmen heen bezongen. In Psalm 33 (32) lezen wij:
Door het woord van Jahweh zijn de hemelen gemaakt, door de adem van zijn mond heel hun heir.
Hij verzamelde het water der zee in een zak, legde de oceanen in schuren op.
 
Heel de aarde moet Jahweh vrezen, al de bewoners der wereld Hem duchten.
Want Hij sprak: en het was;
Hij gebood: en het stond.
 
God is onze Schepper, wij zijn zijn schepselen.
Zonder Hem zouden wij niet bestaan, zonder Hem zouden wij niet die hoop op eeuwigdurend geluk in de hemel bezitten, die het enige is wat ons in staat stelt het lijden en de smart van onze verbanning in dit dal van tranen te dragen.
Wij zijn alles aan God verschuldigd en Hij niets aan ons.
AI wie geschapen is, heeft de plicht zijn Schepper lief te hebben en te dienen.
Alleen en uitsluitend door te leven binnen dat juiste zicht op de verhouding van Schepper tot schepsel kunnen de mensen harmonie en orde laten heersen.
Als zij deze betrokkenheid verwerpen, krijgen disharmonie en wanorde de overhand, de wanklank en wanorde der zonde.
 
De eerste valse noot van heel de schepping werd aangeslagen, toen de Aartsengel Lucifer, het heerlijkste van alle schepselen Gods, ten prooi viel aan hoogmoed en blufte: "Non serviam!", "Ik zal Hem niet dienen!".
"Wie is als God?", antwoorde de H. Michael: "Quis ut Deus?".
 
WIE IS ALS GOD?
Dit zijn woorden, die iedere Katholiek helemaal vooraan in gedachte moet hebben.
Natuurlijk is het antwoord, dat niemand is als God.
Hij is oneindig en wij zijn eindig.
Tussen oneindig en eindig is geen vergelijking mogelijk.
Zoals de catechismus ons leert, moeten wij daarom ons leven in deze wereld besteden aan het kennen, het liefhebben en het dienen van God, zodat wij in het hiernamaals voor eeuwig gelukkig kunnen zijn met Hem.
Dat is onze plicht als zijn schepsels. "Als ge Mij bemint", waarschuwde Onze Heer, "onderhoudt dan mijn geboden".
 
De geboden Gods leggen uitdrukkelijk een verplichting op om de dag des Heren te heiligen, door onze hemelse Vader een waardige en eerbiedige publieke eredienst te bewijzen.
De enige geschikte wijze om onze volkomen onderwerping aan de almachtige God uit te drukken, is het opdragen van een offer.
De vergelijkende godsdienstwetenschap heeft uitgewezen, dat het opdragen van offers een kenmerk is van al de voornaamste godsdiensten in heel de geschiedenis der beschaving.
Het is een handeling, die blijkbaar beantwoordt aan een diep menselijk gevoelen.
St. Thomas van Aquino leerde, dat het brengen van offers een plicht is die op alle mensen rust, volgens de natuurlijke zedenwet.
Die verplichting zou ook gegolden hebben als Adam niet in zonde zou zijn gevallen.
Zulk een offer zou aanbidding van onze Schepper, dankzegging voor zijn liefdevolle goedheid voor ons, en een smeekgebed om zijn blijvende bescherming, hebben belichaamd.
De rampzalige zondeval voegde echter een vierde reden toe, om offers op te dragen: die van het verkrijgen van vergiffenis voor onze zonden.
 
Het wezen van het offer ligt in het opdragen van een slachtoffer aan God ten behoeve van zijn volk, door zijn openbaar aangestelde vertegenwoordiger.
De dood van het slachtoffer is geen doel in zich.
Evenmin is dit het voorwerp van het offer.
Het slachtoffer sterft, om zijn leven te laten terugkeren tot God, in Wie dat leven zijn oorsprong had.
Het slachtoffer neemt de plaats in van hen, voor wie het wordt opgeofferd.
De dood ervan vertegenwoordigt hun volkomen zelfopoffering aan God.
 
Een nagenoeg verbijsterende reeks van rituelen, die iedere kant van het offer omvatten, vinden wij in het Oude Testament.
Het voornaamste daarvan was de z.g. holocaust.
Dit was het volmaakte offer, omdat heel het slachtoffer door vuur werd verteerd, aldus de volkomen onderwerping van de mens aan God uitbeeldend. Vredesoffer drukten lof en dankzegging uit en zoenoffers hadden de bedoeling, mensen van hun schuld te ontslaan.
Het belangrijkste moment van het Joodse offer was het uitgieten over het altaar van het bloed van het slachtoffer.
Het offeraltaar in de Joodse tempel stelde God voor, juist zoals het altaar der Christenen Onze Heer Jezus Christus zelf voorstelt.
Het bloed van het slachtoffer werd verondersteld het leven ervan te bevatten en, eenmaal uitgegoten over het altaar, was dit teruggekeerd tot God, in Wie dat leven was ontstaan.
 
Het plechtigste van alle Joodse offers vond plaats op de Grote Verzoendag, algemeen bekend als Yom Kippur.
Dit was de enige dag in het jaar, dat de Hogepriester voorbij en achter het voorhangsel van de tempel tot in het Heilige der Heiligen, waar God zelf woonde, doordrong.
Daar, van aanschijn tot Aanschijn met God, facies ad faciem Dei, ging hij het bloed van een slachtoffer opdragen ter verzoening van zijn eigen zonden en van die van het volk.
 
HET OFFER DER CHRISTENEN
Het Christendom heeft slechts één Offer, het Offer, eens opgedragen door Onze Heer Jezus Christus, Priester en Slachtoffer tegelijk, toen Hij zijn Bloed voor ons vergoot op het kruis.
Ieder soort offer, ieder doel van de offers van het Oude Testament werd tot volmaaktheid gebracht op CalvariŽ.
Holocaust, vrede- en zoenoffer waren alle slechts typen, voorafbeeldingen, schaduwen, van dat ene volmaakte offer op de eerste Goede Vrijdag, toen God de Zoon, mens geworden, alle dingen met zichzelf verzoende, vrede bewerkend door het Bloed van zijn kruis, zowel voor de dingen op aarde als voor de dingen in de hemel (Kol 1,20).
In zoverre de offers van het Oude Testament waren opgedragen met een nederig en vermorzeld hart, hadden ze God behaagd en zegen gebracht over hen, die ze opgedragen hadden.
Maar zulke offers konden nooit voldoen voor de zonde van Adam en de zonden van al zijn nakomelingen.
In een volmaakt offer moeten priester en slachtoffer dezelfde zijn, maar dit was onmogelijk vůůr de komst van Onze Heer.
In HebreeŽn 9 staat geschreven, dat de Hogepriester het Heilige der Heiligen betrad "met bloed, dat niet het zijne is".
Het bloed van de dieren kon nooit voldoen voor de zonden van de mensen.
In HebreeŽn 10 staat: "Onmogelijk is het immers, dat het bloed van stieren en bokken zondigheid wegneemt".
Ook wordt ons in die twee hoofdstukken van de HebreeŽnbrief geleerd, dat Onze Heer verschenen is als de Hogepriester van de zegeningen der toekomst, en dat Hij, een nieuwe levende weg banend door het voorhangsel, dat is: door zijn Vlees heen, het eigenlijke Heilige der Heiligen is binnen gegaan, de hemel zelf, om daar voor Gods Aanschijn te verschijnen te onzen behoeve.
Hij had niet het bloed van bokken of kalveren bij zich, maar zijn eigen Bloed, en zo verwierf Hij voor ons een verlossing voor eeuwig.
De weg naar de hemel, die door de zonde van Adam was versperd, werd opengelegd, en alle verlosten kunnen hun Hogepriester volgen tot in het Heilige der Heiligen.
Dit werd duidelijk, immers: "het voorhangsel van de tempel scheurde van boven tot onder in tweeŽn" (Mat 27,51), op het ogenblik dat onze Verlosser stierf, na zijn kostbaar bloed.
 
HET LAATSTE AVONDMAAL
Op Witte Donderdag, bij het Laatste Avondmaal, droeg onze Heiland het Offer van Calvarie bij voorbaat op.
Hij wijdde ook zijn apostelen tot bisschoppen en droeg hun op, ditzelfde Offer op te dragen te zijner gedachtenis, opdat zoals het Concilie van Trente ons leert, "Hij aan zijn beminde bruid, de Kerk, een zichtbaar Offer zou nalaten, zoals de menselijke natuur vraagt".
 
Telkens als dit zichtbare Offer wordt gevierd, wordt het Kruisoffer tegenwoordig gesteld.
Als wij de H.Mis bijwonen, zijn wij tegenwoordig op CalvariŽ.
 
In zijn klassieke werk: "De Mis van de Romeinse Ritus" schreef Pater J.Jungmann: "Toen Christus op het kruis zijn Consummatum est, "Het is volbracht", uitriep, waren degenen die dit hoorden gering in aantal, en nog geringer waren degenen, die begrepen, dat deze zin een keerpunt voor de mensheid aangaf; dat zijn dood poorten opende naar het eeuwige leven, waardoor sindsdien alle volkeren der aarde zouden trekken.
Om nu te voldoen aan dit verlangend uitzien der mensheid, werd dit grote gebeuren tot stilstand gebracht en door Christus' instelling vastgehouden voor die komende geslachten, zodat zij zelfs nog in de laatste eeuwen en onder de verst verwijderde volkeren, volbewuste getuigen zouden zijn van die gebeurtenis, en daarnaar zouden opzien in heilige vervoering".
 
LITURGIE
Ons woord 'liturgie' is afgeleid van een Griekse stam, die een openbare plicht of dienst jegens de staat van de kant van de burger aanduidt.
De Septuagint (Griekse vertaling van het O.T.) gebruikt het voor de openbare dienst in de tempel, en zo heeft het een godsdienstige betekenis gekregen als de taak der priesters in het ritueel van de Joodse eredienst.
In HebreeŽn 8,2 wordt Onze Heer beschreven als "de Leitourgos, (Dienstdoende) in het heiligdom, in de echte Tabernakel, die de Heer, niet een mens, heeft opgericht".
De liturgie is zijn heilige werk voor zijn volk.
De liturgie is dus niet op de eerste plaats iets wat wij doen, maar iets wat Onze Heer doet.
Het is een handeling van Christus, actio Christi, maar een handeling, waarmede zijn Mystiek Lichaam de Kerk zich kan verenigen.
In zijn encycliek Mediator Dei beschreef Paus Pius XII het wezen van de liturgie als "de gehele openbare eredienst van het lichaam van Jezus Christus, van Hoofd en ledematen".
 
Ik heb in het begin vastgesteld, dat de liturgie der Katholieke Kerk slechts zin heeft, en slechts begrepen kan worden, voor zover zij tot God gericht wordt.
Het is evenzeer juist, vast te stellen, dat zij slechts zin heeft en begrepen kan worden als de uitoefening van het Priesterschap van Onze Heer Jezus Christus.
Het Priesterschap van Onze Heer vond op aarde geen einde, toen Hij ten hemel opsteeg.
Hij vereeuwigt het in zijn Mystiek Lichaam, de Kerk, die in haar diepste werkelijkheid, een uitbreiding der Incarnatie is, door de volkeren en de eeuwen heen .
 
Onze Heer is vandaag onder ons tegenwoordig in zijn Kerk, ons lerend, ons besturend en heiligend.
Priesters - die hun wijding immers in directe opvolging van de apostelen ontvangen - dragen de H.Mis op in Christus' naam en in zijn Persoon, in persona Christi.
 
Onze Heer zelf is de ware Hogepriester van iedere H. Mis; de priester aan het altaar handelt slechts als zijn werktuig.
In de traditionele Mis van de Romeinse Ritus, nu algemeen bekend als de Tridentijnse Mis, werd deze verheven waarheid passend uitgebeeld door de wijze, waarop de priester zich ondergeschikt maakt aan de huiveringwekkende heiligheid en majesteit van de ritus die hij aan het vieren was, de ritus, door Pater Faber beschreven als "het allerschoonste aan deze zijde van de hemel".
 
Een gebed in de liturgie van de h. Johannes Chrysostomos roept de diepe waarheid op: "Gij zijt het werkelijk die offert en geofferd wordt; Gij, die het ontvangt en ons wordt teruggeschonken, Christus onze God".
Het Offer van de H. Mis is waarlijk het Offer van CalvariŽ, onder ons tegenwoordig gesteld; een Offer, waarbij wij slechts in een geest van diepste eerbied vermorzeling en ootmoed zouden moeten wagen aanwezig te zijn, doordrongen van onze onwaardigheid voor het Aanschijn van de Alheilige God.
"Quam terribilis est haec hora", "hoe ontzagwekkend is dit uur!" roept in de Syrische liturgie de diaken uit.
Onzagwekkend is het inderdaad, als onze Heiland en onze God onder ons tegenwoordig is als Priester en Slachtoffer.
 
DE ONTWIKKELING VAN DE ROMEINSE RITUS
Het allerheiligst Misoffer werd vroeger, en wordt ook nu, opgedragen in vele verschillende riten, maar welke ook de ritus is, het Offer is hetzelfde.
In India kent men bijv. de eerbiedwaardige Chaldeeuws-Malabaarse ritus.
Straks zal ik hier meer over zeggen.
Een Mis-ritus bestaat uit de woorden en ceremoniŽle handelingen, die de wezenlijke bestanddelen ervan, ingesteld door Onze Heer, omgeven.
De verschillende riten der H. Mis ontwikkelden zich in de loop van vele eeuwen op een geleidelijke en natuurlijke wijze.
Tot aan de vierde eeuw was de H. Schrift het enige liturgische boek.
Maar gedurende die eeuw werd het in boeken opschrijven van de liturgie een vaste praktijk en begonnen de moeder-riten van de verschillende hedendaagse liturgieŽn zich af te tekenen.
 
Hier zullen wij ons bijna uitsluitend bezig houden met de H. Mis van de Romeinse Ritus in haar traditionele vorm, zoals wij die kenden totdat in 1969 een nieuwe ritus der H. Mis werd afgekondigd.
In heel de lange geschiedenis van de Romeinse Ritus is er nooit sprake geweest van een Paus, die een commissie benoemt, om nieuwe gebeden en ceremonies te laten opstellen.
Bij het voortschrijden der eeuwen ontwikkelden zich de gebeden en ceremonies haast onmerkbaar, en altijd was het zo, dat de vastlegging als voorschrift, de codificatie van deze gebeden en ceremonies, door opname in de liturgische boeken, volgde op een gevestigde praktijk.
Zodoende kwamen bepaalde gebeden en ceremonies in het Missaal, omdat die al gebruikt werden in de H. Mis, en niet omgekeerd.
Dit onderscheid is van wezenlijk belang.
Een van Engelands grootste geschiedkundigen, Professor Owen Chadwick, constateerde: "LiturgieŽn worden niet gemaakt, zij groeien in eeuwenlange vroomheid" .
 
De gewoonte om de traditionele H. Mis van de Romeinse Ritus aan te duiden als de Tridentijnse Mis, is ongelukkig.
Daardoor ontstond de wijd verbreide mening, dat deze H. Mis als gevolg van het Concilie van Trente was samengesteld.
Het woord 'tridentijns' betekent slechts 'in verband staande met' dit Concilie -het Concilium Tridentinum- dat met onderbrekingen tussen 1545 en 1563 gehouden werd gedurende een aantal jaren.
Het Concilie van Trente benoemde inderdaad een commissie, om het Romeins Missaal te onderzoeken en dit te herzien en te herstellen "volgens de gebruiken en ritus der heilige Vaders".
Het nieuwe Missaal werd tenslotte uitgevaardigd door de Heilige Paus Pius V in 1570, met de bulle Quo Primum.
Eerbied voor de traditie kenmerkte het werk der commissie, die het heeft uitgevoerd.
Al die tijd was er nooit ook maar een zweem van een Novus Ordo Missae.
Het idee alleen al is ondenkbaar voor wie ook, die doordrenkt is met de diepe zin van het katholiek te zijn, dus met een echte sensus catholicus.
De Commissie gaf kracht van wet aan het bestaande Missaal, gezuiverd van enkele onderdelen, die zij overbodig of onnodig vond, zoals bijvoorbeeld een aantal sequinties.
Maar wat betreft het Gewone der Mis, de Canon, het Tijdeigen, en nog veel meer, is het Missaal van Pius V een getrouw afdruk van het Romeinse Missaal van 1474, dat weer teruggaat in al zijn hoofdzaken op het tijdperk van St. Gregorius de Grote op het eind van de zesde eeuw.
 
In zijn klassiek geworden studie van het Romeins Missaal, onder de titel The Mass verschenen in 1917, heeft Pater Adrian Fortecue, Engelands grootste liturgie-historicus, een uitvoerig onderzoek verricht van de hervorming van St. Pius V.
Zijn eindoordeel luidde: "Wij mogen heel dankbaar zijn, dat de commissie zo nauwgezet de oude Romeinse Ritus heeft behouden of hersteld".
En, schrijvend met betrekking tot zijn tijd voegde hij er nog aan toe: "Sinds het Concilie van Trente is de geschiedenis der H.Mis nauwelijks iets anders, dan het opstellen en goedkeuren van nieuwe Missen.
De opzet en alle wezenlijke delen blijven hetzelfde.
Niemand haalde het ooit in zijn hoofd, om aan de eerbiedwaardige Liturgie der Romeinse Mis te tornen, behoudens om nieuwe delen aan het Feesteigen toe te voegen".
Deze conclusie geldt evenzeer voor de vijftig jaren welke verliepen na de publicatie van Pater Fortescue's boek.
Enkele veranderingen werden aangebracht door de H. Paus Pius X, door Paus Pius XII en door Paus Johannes XXIII, maar wat betreft de H.Mis gingen ze in hoofdzaak over de rubrieken, zulk een aanpassing was noodzakelijk geworden door het grote aantal nieuwe heiligen, waarvan het Feesteigen sinds 1570 aan het Missaal waren toegevoegd.
Paus Pius XII hervormde op vele punten de ceremonies van de Goede Week.
Zijn veranderingen waren alle uiterst wijs, van grote pastorale waarde, en in volmaakte overeenstemming met de traditie.
Voor de H.Mis, zoals wij die kenden bij het afsluiten van Vaticanum II kunnen wij het oordeel van Pater Fortiscue uit 1917 laten gelden: "Onze H.Mis gaat zonder wezenlijke verandering terug tot op de eeuw waarin zijn ontstaan uit de alleroudste liturgie.
Zij doet ons nog heel de liturgie uit de tijden smaken, toen Caesar de wereld beheerste en dacht dat hij het geloof in Christus kon uitroeien; toen onze vaderen voor zonsopgang bijeen kwamen en een hymne zongen op Chrislos als God Ons onderzoek brengt ons tol het eindoordeel, dat er ondanks onopgeloste problemen, ondanks latere veranderingen, in heel het Christendom geen andere ritus zo eerbied waardig is als de onze"
 
"In heel het Christendom is er geen andere ritus zo eerbiedwaardig als de onze"
Dit is dan de Tridentijnse H Mis, de eerbiedwaardigste ritus in het Christendom, "het schoonste wal aan deze zijde van de hemel beslaat", zoals Pater Faber het uitdrukte.
Het is de vorm van de H Mis, die afgezien van de H Schrift, de grootste schat is van de Kerk.
Het is haar kostbare parel, die nog onschendbaarder, heiliger en onaantastbaarder moest zijn, dan welke schat ook, die zij onder haar hoede heeft. Schrijvend over de H. Mis noteerde John Henry Newman: "Niets troost, doorboort, betovert en overweldigt mij zozeer, als de H. Mis, zoals die onder ons wordt opgedragen.
Ik zou de H Mis wel altijd kunnen bijwonen zonder het moede te worden.
Het is niet zomaar een samenstel van woorden, zij is een grootse handeling, de grootste daad die op aarde kan bestaan.
Zij roept de Eeuwige op, die tegenwoordig komt op het altaar in Vlees en Bloed, voor Wie de engelen zich buigen en de duivels sidderen"
 
"Zij troost, doorboort, betovert", zo schreef Kardinaal Newman van de Tridentijnse H Mis.
Zelf weet ik van mijn briefwisseling met wijlen Kardinaal-Aartsbisschop Gracias (van Bombay), maar ook uit diens eigen geschriften, dat John Henry Newman zijn grote held was.
Hij haalde hem zo vaak aan, dat hij zelf vaak werd aangeduid als de 'Indiase Newman'.
Die verering van de Kardinaal had een stevige grondslag.
Newman was de voortreffelijkste bekeerling der negentiende eeuw; ook in die eeuw de grootmeester van het Engelse proza en welzeker de grootste geest onder de Engels-sprekende Katholieken in de negentiende eeuw, of ook in de onze.
Toch waren er lieden vůůr en tijdens Vaticanum II (en hun aantal is sindsdien geweldig toegenomen), die het bestonden om tegen Newman te beweren, dat de Tridentijnse H Mis saai was, niet bezielend; dat zij mensen van de twintigste eeuw niet aansprak, dat zij hun geestelijke ontwikkeling blokkeerde.
Natuurlijk komt dit oordeel niet neer op de Tridentijnse Mis, maar op haar bevitters.
 
LITURGIE EN PERSOONLIJKHEID
Professor Dietrich von Hildebrand was ook zulk een groot bekeerling, die door Kardinaal Gracias werd bewonderd.
Hij behoorde zeker tot de allergrootste denkers van de katholieke intelligentsia van deze eeuw.
Hij schreef in 1943 een boek met de titel Liturgie en Persoonlijkheid.
Daarin merkte hij op, dat een gebrek aan eerbied typisch is voor de moderne tijd, naast de zelfverheerlijking, die de huidige mens kenmerkt.
Ons besef van het geestelijke, van het schone, van het oorspronkelijk-echte, dat tegenover de oppervlakkige waarden staat, raakte steeds meer afgestompt.
Prof. Von Hildebrand bracht zijn lezers in herinnering, dat er een rangorde van waarden bestaat en dat de echte persoon zich ontwikkelt, naargelang het vermogen tot onderscheid, de discretio zich verdiept, waardoor zij in staat is tussen een hogere en lagere waarde te onderscheiden.
Meer dan wat ook, was het deze zin voor onderscheid, die de moderne mens aan het verliezen is, door zijn steeds grovere gerichtheid op het aardse. Prof. Von Hildebrand zag, hoe waarachtig de Tridentijnse Mis onze betrokkenheid van schepsel op de Schepper, door mij zojuist aangestipt, tot uitdrukking bracht.
"Zij is", zo schreef hij, "meer dan welke andere uiting van vroomheid, doordrongen van de geest van eerbied, en zij voert hen, die haar beleven, meteen binnen in deze geest.
Zij toont de juiste grondhouding jegens God. ...
Heel die Liturgie is doortrokken van deze eerbied voor de Maiestas Domini, van het heldere besef van zijn absolute Heerschappij, en van de erkenning dat wij alles van Hem ontvangen".
 
Prof. Von Hildebrand zegt dan, dat de Liturgie "ons binnen voert in een heilig Rijk, waar geen plaats is voor het profane".
Zij die zich in die onvervalste geest der Liturgie laten opnemen, zullen door haar omgevormd worden.
De Liturgie zal haar rol vervullen om, zoals hij terecht zag, het ware levensdoel voor iedere Christen, de omvorming in Christus, tot stand te brengen. "De Liturgie", zo schreef hij, "is een eigenheid van onze natuur, met ons verbonden, en zij voert ons op naar het bovennatuurlijke, door geleidelijke omvormingen van binnen uit.
In de Liturgie. ... sterven wij met Christus om met Hem te verrijzen; ook sterven wij in de Liturgie aan de wereld, om te leven met God".
 
In de Liturgie is er geen plaats voor wat dan ook, dat slechts aards en onheilig is; in de Liturgie sterven wij aan de wereld.
De meeste hedendaagse zogenaamde liturgiedeskundigen wachten zich er wel voor, van zulke gevoelens blijk te geven.
Laten we echter niet vergeten, dat Prof. Von Hildebrand een geestesreus was, door Paus Pius XII beschreven als "een Kerkvader van de twintigste eeuw".
 
Hoe is het gekomen, dat deze houding van Godsverering, die van Kardinaal Newman en van praktisch alle grote katholieke denkers tot aan de jaren 1960, nu bijna algemeen in koor verafschuwd wordt door de huidige kerkelijke ambtenarij?
Om dit te kunnen begrijpen moeten we een goed begrip hebben van wat er gebeurde op Vaticanum II; maar daarvůůr nog moeten we eerst nog weer in het kort onderzoeken, wat de protestantse Hervorming inhield.
 
DE PROTESTANTSE HERVORMING
Ik zal de termen 'Hervormers' en 'Hervorming' gebruiken volgens de heden aanvaarde inspraak om er de godsdienstige troebelen mee aan te duiden, welke de eenheid van het katholieke Europa in de zestiende eeuw vernietigden.
Een echte hervormer verbetert het verkeerde, het vergane, wat niet langer voldoet.
Hij beoogt een instelling weer te brengen in de toestand, waarin deze verkeerde voordat de misbruiken ontstonden die haar bedierven.
St. Gregorius de Grote was een hervormer.
St. Leo IX was een hervormer; maar Maarten Luther en Thomas Cranmer waren oproerkraaiers.
Een revolutionair wenst de bestaande orde niet te hervormen, maar omver te werpen en te vervangen door een nieuwe van zijn eigen ontwerp.
De protestantse ketterbazen van de zestiende eeuw wierpen de door Onze Heer Jezus Christus ingestelde godsdienst omver, en vervingen die door een reeks nieuwe godsdiensten van hun eigen maaksel.
Zij waren geen hervormers, maar misvormers.
 
Meerdere malen reeds heb ik er op gewezen, dat in de geschiedenis der Kerk tot aan Vaticanum II nog nooit een Paus er ook maar ooit aan gedacht heeft om nieuwe liturgische riten samen te stellen.
 
De protestantse ketterbazen waren de eersten om deze stap te zetten.
Zij moesten dit wel doen vanwege de duidelijkheid, waarmede de traditionele ritus der H. Mis de leer uitdrukte van het Offer en van de Werkelijke Tegenwoordigheid, die zij verwierpen.
 
Let wel: de missaals, die de protestantse ketterleiders verfoeiden waren niet hetzelfde als het Missaal van St. Pius V, dat eerst in 1570 verscheen.
Er was nog heel wat verscheidenheid in de missaals, die in het gebied van de Romeinse Ritus werden gebruikt.
De Pausen, als Patriarchen van de Latijnse of Westerse Kerk, hadden nooit geprobeerd in liturgische zaken eenvormigheid op te leggen aan de kerken van de Latijnse Ritus.
Het zal U wel verbazen, te horen dat de bulle Quo Primum de eerste geschreven wetgeving was van een Paus, om zaken van liturgie te regelen.
 
Tot dan toe werd het gewoonterecht voldoende geacht.
De H. Mis werd niet alleen verschillend gecelebreerd van land tot land, maar ook in bepaalde gevallen van diocees tot diocees.
Toch verschilden deze Missaals slechts in zaken van ondergeschikt belang.
Op ieder belangrijk punt waren ze gelijk aan het Missaal, dat de Paus in Rome gebruikte.
Dat is de reden, waarom ze meestal niet 'riten' der Mis genoemd werden, maar gewoonweg 'gebruiken'.
Het meest verspreide en gebruikte Missaal in het Engeland van voor de Reformatie, was dat van Salisbury in Wiltshire; het is bekend als het Sacrum Usus (gewijd gebruik).
 
Ik verval in herhaling, maar ik moet nůg eens zeggen, dat nog nooit in de geschiedenis der Katholieke Kerk vůůr Vaticanum II er ook maar één voorbeeld is geweest van personen of werkgroepen, die tot bijzondere opdracht hadden, liturgische riten samen te stellen.
Zulk een handelwijze werd slechts aangetroffen buiten de Katholieke Kerk, en dat betekende van de kant der protestantse hervormers een verfoeiing van de Katholieke Kerk.
Het was juist als antwoord op die liturgische vormgeving van de protestantse ketterijen, dat het Concilie van Trente besloot, dat de H. Mis in heel het gebied van de Romeinse Ritus op één en dezelfde wijze moest worden opgedragen.
 
DE PROTESTANTSE DIENSTEN
Men zou overdrijven als men stelde, dat de Protestanten in de meeste gevallen geheel nieuwe liturgische riten opstelden.
Zij wilden de bestaande katholieke ritus aanpassen, en lichtten er alles uit, wat niet overeenstemde met de bepaalde ketterij van hun keuze.
In een studie, die de katholieke Bisschoppen van Engeland en Wales in 1898 uitgaven, veroordeelden zij in zeer krachtige bewoording het werk van de stichters der anglicaanse ketterij, bij het zo drastisch verminken van de eerbiedwaardige riten, welke in hun land sinds onheuglijke tijden in gebruik waren geweest.
"Toegegeven zij, dat vroeger plaatselijke Kerken nieuwe gebeden en ceremonies mochten toevoegen", schreven de katholieke Bisschoppen, "maar dat het haar toegestaan zou zijn geweest, gebeden en ceremonies die allang in gebruik waren, weg te laten, en zelfs de bestaande riten op de meest grove wijze om te bouwen is een mening waarvoor wij geen enkele historische grond kennen en welke ons totaalongeloofwaardig voorkomt".
De katholieke Bisschoppen brandmerkten in het bijzonder Thomas Cranmer, de afvallige aartsbisschop van Canterbury (1489-1556), die de hoofdontwerper van de nieuwe anglicaanse liturgie is geweest.
"Hij ging zijn gang, zoals nog nooit iemand vůůr hem", stelden zij vast, "hij handelde met een onvoorstelbare doldriestheid".
 
Wat, zo vraag ik mij af, zouden deze zelfde Bisschoppen hebben gedacht, als hun zou zijn verteld, dat het Vaticaan in 1969 een nieuwe ritus voor de H. Mis zou afkondigen, en dat daartoe de oude en eerbiedwaardige, van ouds in gebruik zijnde ritus op de meest grove wijze zou worden omgebouwd, zodat daaruit bijna alle door Thomas Cranmer in de zestiende eeuw verwijderde gebeden, juist ook zouden zijn verwijderd?
Wie zoiets zou geopperd hebben, verzeker ik U, zou door hen met een hartelijk gelach zijn begroet, want het zou hun als het toppunt van ongerijmdheid zijn voorgekomen.
Laten wij nu daarom nagaan, wat er op Vaticanum II plaats greep, om tot de ontdekking te komen, hoe dat, wat in 1898 voor onzin zou zijn doorgegaan, in 1969 werkelijkheid werd.
 
VATICANUM II
Paus Johannes XXIII kondigde zijn plan, een Algemeen Concilie bijeen te roepen, aan in 1959.
Niemand weet, waarom de bejaarde Hogepriester deze gewichtige beslissing nam.
Hij beweerde het te doen, dan zij een inspiratie van de Heilige Geest.
Dit was gewoon zijn mening, en geen enkele Katholiek is gehouden te geloven, dat dit inderdaad het geval was.
Eerdere algemene concilies werden bijeen geroepen, om ketterijen of andere onheilen uit die tijden te bestrijden.
 
De grote geschiedschrijver van het Concilie van Trente, Kardinaal Pietro Pallavicino, JezuÔet, waarschuwde: "Een Algemeen Concilie bijeen roepen buiten dwingende noodzaak, is God op de proef stellen".
Een geschiedkundige, die zou willen aantonen dat er een dwingende noodzaak was voor het bijeen roepen van Vaticanum II, zou aan het staven van zijn stelling een zwaar karwei hebben.
Hoe dit zij, het Concilie werd bijeen geroepen.
Paus Johannes XXIII was zeer hoopvol gestemd aangaande de ervan te verwachten vruchten.
Hij sprak van ramen openzetten, om wat frisse lucht in de Kerk binnen te laten komen, en al wie zijn optimisme niet deelde bestempelde hij als een doemdenker.
Zijn ongelukkige opvolger, Paus Paulus VI vond, dat nog iets anders dan frisse lucht in de Kerk was binnengekomen door de geopende ramen van Paus Johannes.
Hij klaagde, dat in werkelijkheid de rook van Satan de Kerk was binnen gedrongen om de vruchten van het Concilie te smoren.
Dit Concilie begon in oktober 1962, en in 1968 waarschuwde Paus Paulus, dat de Kerk bezig was met haar langzame, maar zekere, zelfvernietiging.
 
In de late jaren zestig was deze kwaal ook reeds tot India doorgedrongen, en Kardinaal Gracias waarschuwde: "De Kerk wordt bedreigd door een ware ontbinding van binnen uit: een crisis der gehoorzaamheid, een crisis van het geloof, een crisis van de heiligheid.
Deze drie vormen een bedreiging voor de wereld van vandaag, en dat juist in een tijdsgewricht, waarin de beschaving deze waarden voor de geest nodig heeft, om haar eigen echte waarden terug te vinden".
 
Hoe kon het bestaan, dat een Concilie, opgezet om een tijdperk van vernieuwing in te luiden, in feite gevolgd werd door een tijdvak, waarin iets gebeurde dat Kardinaal Gracias, de spijker op de kop slaande, alleen maar een "ware ontbinding" kon noemen?
Dat was het inderdaad ook volgens de uitstekende Franse theoloog en liturgist Pater Louis Bouyer een deskundige raadgever op het Concilie.
"Tenzij wij blind zijn", merkte hij snedig op, " moeten wij wel vaststellen, dat hetgeen zich voor onze ogen afspeelt, veel meer lijkt op versnelde ontbinding van het Katholicisme, dan op zijn wedergeboorte".
 
Natuurlijk zijn er heden ten dage velen in de Kerk, die liever de ogen sluiten dan oog in oog met de werkelijkheid te staan, die gaande is.
Helaas zijn er onder hen vele Bisschoppen.
In Rome vond in 1985 een buitengewone synode plaats, en de Bisschoppen waren tevoren gevraagd een bijdrage te leveren over de toestand in hun land sinds het Concilie der Kerk.
In veel gevallen, in het bijzonder uit landen als Engeland en de Verenigde Staten, kwamen beweringen van de Bisschoppen, dat de verhoopte vernieuwing er was gekomen en dat de Kerk er bloeide als nooit tevoren; dit ondanks alle feitelijke statistische gegevens, die klaarblijkelijk wezen op het tegendeel.
De Europese Bisschoppen toonden heel wat weerzin jegens Joseph Kardinaal Ratzinger, Prefect van de Congregatie voor de Geloofsleer, die ronduit had toegegeven dat "het niet voor tegenspraak vatbaar is, dat dit tijdvak [van na het Concilie] op beslissende wijze ongunstig voor de Katholieke Kerk is geweest".
 
'HET CONCILIE DER PERITI'
Paus Johannes had uitgelegd, dat het doel van het Concilie zou zijn: het gaaf bewaren van het heilig pand der katholieke leer, maar dit toch op zulk een wijze voor te stellen, dat het de hedendaagse mens ten volle zou trekken.
Dat moge zijn doel geweest zijn, maar het was niet het doel van al degenen, die te Rome aanwezig waren om deel te nemen aan het 21ste Algemeen Concilie der Katholieke Kerk.
Sommigen der aanwezigen wensten niet het oude geloof op een nieuwe wijze voor te stellen: zij wilden proberen het oude geloof te vervangen door een nieuw.
Deze lieden bevonden zich niet zozeer onder de Concilievaders, de Bisschoppen, als wel onder de deskundige raadgevers, welke dezen mee naar Rome hadden genomen.
Dat waren de periti.
'Periti' is het Latijnse meervoud van 'peritus', wat een experitus is, een expert, een deskundige.
 
Douglas Woodruft, redacteur van The Tablet ten tijde van het Concilie, beschreef Vaticanum II als 'het Concilie der periti'.
Bisschop Lucey van Cork en Ross, Ierland, beweerde, dat de periti meer macht hadden, dan de meeste Bisschoppen, al hadden zij dan geen stemrecht.
De reden hiervan, zo legde hij uit, was, dat zij invloed hadden door Conciliedocumenten op te stellen en dat zij vaak een grote invloed uitoefenden op een Kardinaal in een sleutelpositie, of op de voorzitter van de landelijke bisschoppenconferentie.
Deze toestand heeft zich na Vaticanum II door heel de Kerk verspreid.
Beleidsverklaringen, die in naam van een landelijke bisschoppenconferentie worden afgekondigd, zijn vaak het werk van een handvol liberale zogenaamde deskundigen, en maar al te vaak beperkt de bijdrage der Bisschoppen zich tot het ondertekenen van wat die deskundigen voor hen hebben ontworpen.
 
Kardinaal Ratzinger heeft onlangs [nu enige jaren geleden] een beroep gedaan op een aantal Bisschoppen in persoon, dat zij de hun door God opgelegde taak van persoonlijke opvolgers der apostelen zouden na komen, en daadwerkelijk de leiding uitoefenen in hun eigen diocesen.
Nu echter de Bisschoppen eenmaal de praktijk hebben aanvaard, zich te schikken in de collegiale beslissingen der landelijke bisschoppenconferenties, welke echter al te vaak de allesbehalve collegiale beslissingen zijn der deskundige raadgevers, is het onwaarschijnlijk dat velen de moed zullen opbrengen hun onafhankelijkheid te laten gelden.
 
Aan de meerderheid der Concilievaders die in Rome in 1962 aankwamen, was het verre van duidelijk, waarom zij daar waren beland of wat van hen verwacht werd te doen.
De enige uitzondering op deze regel was de 'Rijngroep', zoals Fr. Ralph M. Wiltgen die beschreef in zijn nu klassieke verslag van Vaticanum II
The Rhine flows into the Tiber.
De' Rijn-groep bestond uit de Bisschoppen van de landen langs de rivier de Rijn, met hun periti.
Het Katholicisme in deze landen vertoonde trekken van vrijzinnigheid en vernieuwingswaan, en dit in tegenstelling tot het behoudende Katholicisme der Latijnse en Anglosaksische landen.
De Katholieken uit die Rijn-landen hadden de dwingelandij der Nazi's vůůr en tijdens de tweede wereldoorlog ondergaan en hun denken was daardoor sterk beÔnvloed.
Duitsland had onder dit kwade stelsel het langst geleden.
Landen als Frankrijk, Nederland en BelgiŽ hadden de gruwel van Nazi-bezetting verduurd.
De scherpe verschillen, die er voor de oorlog altijd bestaan hadden tussen Protestant en Katholiek, leken bijna zinloos geworden, door de banden, die beiden verenigden in het lijden onder Nazi-vervolging.
 
Het is dus niet verwonderlijk, dat er na de oorlog een sterke drang tot eenheid onder de Christenen opsprong, en wel met de neiging, wat Katholiek van Protestant scheidde, zo klein mogelijk te maken en te benadrukken, wat hen vereende.
Ook was het niet te verwonderen, dat er zulk een afkeer tegen de Nazi-dwingelandij was ontstaan - om nog niet eens te spreken over de nog zwaardere Stalin-tyrannie, die zulk een groot deel van Europa had verzwolgen - dat iedere vorm van gezagsuitoefening met argwaan werd bekeken. Broederschap en democratie was al wat de klok sloeg.
Inderdaad, het klimaat was ongunstig voor hen, die de overgeleverde opvatting van het Katholicisme wilden hooghouden, en deze is de enige oorspronkelijke en echte opvatting daarvan.
Kardinaal Newman wees er al op, dat Katholicisme en Protestantisme niet zomaar wat in graad verschillen, maar dat zij verschillen in aard.
Die ene godsdienst is de onze, de andere is de hunne.
Bovendien kan het Katholicisme op niets anders berusten, dan op gezagsuitoefening.
Onze Heer zelf toch sprak als iemand met gezag, en zijn gezag vloeit voort uit het feit, dat Hij "de Eniggeborene van de Vader is, vol genade en waarheid" - Unigeniti a Patre, plenum gratiae et veritatis (1o 1,14).
 
Hij gaf zijn apostelen opdracht, in zijn Naam te onderwijzen.
Wie hen hoorde, hoorde Hem.
Wie hen verwierp, verwierp Hem.
Hij gaf geen bevel om uit te gaan en discussiegroepen op te zetten, of om na te speuren aan welke leerstukken en zedenwetten het volk de voorkeur zou schenken ter aanvaarding, of welke vorm van liturgie het volk de onderhoudendste zou vinden.
 
EEN SENSUS CATHOLICUS
Wijlen Kardinaal Heenan van Londen heeft openlijk uitgelegd, hoe verregaand de Bisschoppen van de Engelssprekende landen onkundig waren van het soort Concilie, dat de krachten van de Rijn-groep aan het uitbroeden waren.
"De Amerikanen", verklaarde hij, "waren daar zelfs nog minder op voorbereid dan de Britten".
Hij legde ook uit, hoe verregaand het oecumenisme binnen die Rijn-groep tot een godsdienst geworden was, vooral bij de Nederlanders.
"Er waren bepaalde Nederlandse Katholieken, die van hun oecumenisme bijna een godsdienst gemaakt hadden.
Ze verdroegen gewoonweg geen leerstellige verschillen meer en waren bereid, ieder leerstuk te versjacheren in ruil voor de zaak van de uiterlijke eenheid".
 
"Zij verdroegen gewoonweg geen leerstellige verschillen meer en waren bereid, ieder leerstuk te versjacheren in ruil voor de zaak van de uiterlijke eenheid".
Aan de vooravond van het Concilie was dit niet alleen onder invloedrijke Nederlandse Katholieken de geesteshouding, maar hetzelfde gold voor Duitse Katholieken, om maar te zwijgen over hun Franse en Belgische geestverwanten.
Vandaag de dag is het de overheersende geesteshouding geworden van de Katholieke gezetenheid (establishment) in bijna ieder land. Medemenselijkheid, naastenliefde, liefdadigheid, caritas, is de hoogste norm geworden, die onze omgang met hen, die buiten ons Geloof staan, bepaalt.
En het is deze hoogste norm geworden, ten koste van de waarheid - veritas.
De waarheid is het grote slachtoffer van de oecumenische beweging.
Ieder leerstuk kan versjacherd worden voor de zaak van de uiterlijke eenheid.
 
En niet eenvoudig ieder leerstuk, maar ook ieder overgeleverd gebruik, met inbegrip van de meest geheiligd liturgische gebruiken.
Maar allen die doordrenkt zijn van de echte katholieke intuÔtie, het aanvoelen, de sensus catholicus, zullen weten, dat er geen tegenstrijdigheid kan bestaan tussen naastenliefde en waarheid, tussen caritas en veritas.
Naastenliefde jegens hen, die buiten de Kerk staan, vraagt dat wij de waarheid niet verbergen, maar hun die juist zů voorhouden, dat zij haar met vreugde kunnen omhelzen.
En wat het Protestantisme betreft heeft Newman reeds alles gezegd wat er te zeggen valt: "Welnu, de Protestant en de Katholiek hebben niet beiden gelijk en niet beiden ongelijk: er is maar één waarheid, er zijn geen twee waarheden; en die ene waarheid is, zoals wij weten, de katholieke godsdienst".
 
Is er één Katholiek, die het kan bestaan te beweren, dat de grote Kardinaal met deze uitspraak ongelijk had?
En wanneer dit de waarheid was, toen hij die vaststelde in 1851, dan is het ook de waarheid in 1986 [toen deze rede werd gehouden], omdat de waarheid de waarheid is en nooit kan veranderen: "De waarheid des Heren blijft voor eeuwig" - Veritas Domini manet in aeternum ... (Ps 116).
 
DE PERITI DOEN HUN WERK
Hoe heeft het toch kunnen gebeuren, dat de 'vruchten' van Vaticanum II zo hemelsbreed verschillen van die, welke door Paus Johannes XXIII waren bedoeld?
Kardinaal Heenan merkte op, dat het heel barmhartig was van God, om de bejaarde Hogepriester te laten sterven, voordat hij kon zien hoe verregaand zijn Concilie werd gebruikt als uitvlucht om zo vele katholieke leerstukken, die hij zo onwrikbaar had gehandhaafd, uit te hollen.
In zijn eigen geloofsbeleving en geesteshouding was Paus Johannes behoudsgezind.
Er is geen reden om te veronderstellen dat hij wetens en willens enig water in de wijn van de katholieke grondwaarheden zou hebben gedaan, om het oecumenisme te bevorderen.
Hetzelfde kan gezegd worden van bijna alle op het Concilie aanwezige Bisschoppen.
De vrijzinnige periti wisten dit maar al te goed.
Zij wisten, dat maar heel weinigen der Concilievaders zouden stemmen voor iets, dat duidelijk tegen de overlevering in zou gaan en dus bedachten zij de krijgslist van het inlassen van dubbelzinnige stukken in de documenten: zinnen, die na afloop van het Concilie konden worden uitgelegd op een wijze, die allesbehalve in overeenstemming was met de vaststaande leer.
 
Dat er in bepaalde teksten der Conciliedocumenten dubbelzinnigheden staan, is een feit waarvoor onder commentators van iedere richting overeenstemming bestaat, van de voormalige Aartsbisschop Marcel Lefebvre tot Hans KŁng, en zelfs onder de Protestantse waarnemers.
In mijn boek Pope John's Council (het Concilie van Paus Johannes) heb ik daarvan veel voorbeelden aangehaald, en hier hoef ik die niet te herhalen. Slechts twee korte aanhalingen geef ik nu uit het boek van Mgr. George Kelly: De Slag om de Amerikaanse Kerk [vertaalde titel], dat uitkwam na mijn boek.
"Ofschoon", schrijft hij, "de Concilievaders geen enkel gezichtspunt onderschreven dat in tegenspraak was met de gewone geloofsdefinities ontstond toch de indruk dat verandering op til was".
Mgr. Kelly stond ook achter de mening: "De Concilieteksten bevatten genoeg dubbelzinnigheden omtrent de grondslagen, om de moeilijkheden na het Concilie te verklaren".
 
Het is dus wel naÔef, te beweren dat de ontbinding van na het Concilie niet aan het Concilie kan worden verweten, maar dat dit zomaar gebeurde, ondanks het Concilie.
Prof. J.P.M. van der Ploeg O.P., een der meest vooraanstaande katholieke geleerden van onze tijd, ook zeer bevriend met het A.I.L.C. (All India Laity Congress, lekencongres voor heel India) heeft ronduit vastgesteld: "De doorbraak van het neo-modernisme staat in historisch verband met het Tweede Vaticaans Concilie".
 
Men kan en moet als volgt redeneren: er is maar één goede uitleg van klaarblijkelijk dubbelzinnige Concilieteksten, en dat is die in het licht der overlevering.
Maar het ligt in de aard van dubbelzinnigheid, dat er meer dan één uitleg mogelijk is.
Deze dubbelzinnige teksten, samen met de wijd verspreide indruk, dat onvermijdelijke veranderingen op til waren, gaven de vijanden van de Overlevering het wapen in handen, dat zij nodig hadden, om na de sluiting van het Concilie de aanval te openen op de rechtgelovigheid.
 
De vorige Concilies hadden hun leerstukken in zo duidelijke bewoordingen gesteld, dat nog slechts één uitleg, de rechtgelovige, mogelijk was. Vaticanum II heeft zijn leerstukken niet willen of kunnen stellen in een ondubbelzinnige bewoording der rechtgelovigheid, en dat betekende een algehele en ellendige breuk met het oude gebruik van alle eerdere Concilies.
 
Prof. Oscar Cullmann, een vooraanstaand protestants waarnemer op het Concilie, kenschetste de stukken ervan als beginselzwakke compromissen, en niet zonder voldoening voegde hij eraan toe: "Alle teksten zijn op zulk een wijze gesteld, dat geen enkele deur [naar de Protestanten] dicht is gevallen, en dat ze in de toekomst geen hindernis kunnen vormen voor strijdvragen onder Katholieken, of voor overleg met niet-Katholieken, zoals vroeger het geval was met de dogmatische definities van de Concilies".
 
Als de vrijzinnige periti hun dubbelzinnige inlassen in de Conciliestukken wilden gebruiken volgens hun opzet, dan moesten zij natuurlijk de leiding zien te krijgen in de werkgroepen, die gevormd zouden worden om het Concilie uit te leggen en tot uitvoering te brengen, nadat de Bisschoppen naar huis zouden zijn gegaan.
Kardinaal Heenan zag het gevaar dat dit zou gebeuren aankomen, en waarschuwde ervoor.
Hij waarschuwde de Vaders, voor de manier waarop periti teksten konden maken, die vatbaar waren voor "dubbele uitleg, rechtgelovige en modernistische".
Hij deelde hun mede, dat hij bevreesd was voor de periti en bang was, dat zij de macht zouden veroveren om het Concilie aan de wereld uit te leggen. "Moge God verhoeden dat dit ooit zou gebeuren!" riep hij uit.
Maar gebeuren deed het.
 
De Tablet meldde op 26 juni 1966 de vorming van vijf werkgroepen [commissies] ter uitleg en uitvoering van de Conciliebesluiten.
De leden van deze werkgroepen waren gekozen, zo stelde het verslag vast, "grotendeels uit de rijen der Concilie-periti".
Alles was volgens plan verlopen.
Het rad had een volle draai gemaakt.
De lieden, die de stukken hadden opgesteld, hadden nu de macht om ze te duiden.
"Jezus weende over Jeruzalem" weeklaagde Kardinaal Heenan en "Johannes XXIII zou over Rome geweend hebben, als hij had voorzien, wat in de naam van zijn Concilie zou gedaan worden.
Geen wonder, dat Paus Paulus weende".
 
SACROSANCTUM CONCILIUM
Op 4 december 1963 stemden de Vaders in het Concilie over Sacrasanctum Concilium, de Concilie-constitutie over de Heilige Liturgie, en namen die aan met een overweldigende meerderheid.
Zelfs de meest behoudzame Vaders vermoedden in de verste verte niet, dat deze een blauwdruk zou kunnen worden voor een omwenteling.
Prof. Louis Salleron, een der meest geachte behoudende schrijvers in Frankrijk kwam zů onder de indruk van de Constitutie dat hij in zijn boek De Nieuwe Mis schreef, dat verre van het middel te schijnen om een omwenteling in te zetten, deze de kroon scheen te zetten op het werk der liturgische vernieuwing, die al een honderd jaar aan de gang was.
Mogelijke twijfels aangaande delen ervan zouden worden weggenomen door de schijnbaar ingebouwde beveiligingen, die zeker het karakter van alle erkende liturgische riten zouden behoeden tegen iedere verandering die strijdig zou zijn met hun eigen overgeleverde gebruiken.
Alleen al art. 4 scheen meer dan voldoende om te verzekeren, dat er geen radicale nieuwigheden te verwachten waren.
 
"In getrouwe gehoorzaamheid aan de overlevering verklaart deze heilige vergadering, dat onze Moeder de heilige Kerk aan alle wettelijk erkende riten een gelijk gezag en waardigheid toekent; en Zij wenst deze op elke wijze te beschermen en te bevorderen" (Const. over de Liturgie, nr. 4).
Terwijl zij de mogelijkheid van geringe veranderingen aanvaardden, waren de vergaderende Vaders er gerust op, dat het karkater van de Romeinse Ritus zou beschermd blijven, en niet zů maar beschermd, maar zelfs bevorderd!
Is dit gebod der vergaderde Vaders getrouw nagekomen?
 
Laat Pater Joseph Gelineau maar antwoorden.
Pater Gelineau was op het Concilie tegenwoordig als liturgisch deskundige.
Hij had daarna dezelfde taak in het Consilium, de commissie die de Constitutie moest ten uitvoer leggen.
Sindsdien is hij steeds actief, om de veranderingen uit te leggen en door te voeren in zijn eigen land, Frankrijk.
Pater Gelineau is liberaal en maakt daar geen geheim van.
Hij verlangde een radicale verandering en hij is verheugd, dat hij gekregen heeft wat hij wilde.
In zijn boek Dernain la Liturgie (Morgen de Liturgie) onthult hij frank en vrij, met voorbeeldige eerlijkheid, wat er gebeurd is met de Romeinse ritus. Hier is allerminst sprake van dubbelzinnigheid!:
"Laten degenen die, zoals ik, een Hoogmis in het Latijn met Gregoriaanse zang hebben gekend en gezongen; zich dit herinneren zoals zij kunnen. Laten ze deze vergelijken met de Mis, die wij nu hebben.
Niet alleen de woorden, de gezangen en sommige van de gebaren zijn anders geworden.
Om de waarheid te zeggen: het is een andere liturgie der H. Mis.
Dit moet zonder omwegen gezegd worden.
De Romeinse Ritus, zoals wij die kenden, bestaat niet langer. Die is vernietigd" (Le rite romain tel que nous l'avons connu n'existe plus. Il est détruit).
 
Dit is dus de waarheid, de klare waarheid, onverbloemd.
De Romeinse Ritus, die eens zovelen onzer kenden en liefhadden, de ritus der H. Mis die de geesten van talloze grote heiligen vormde, evengoed als van talloze miljoenen eenvoudige Katholieken doorheen alle volkeren en eeuwen; deze vorm van de H. Mis, de eerbiedwaardigste ritus in het Christendom, het schoonste, dat aan deze zijde van de hemel bestond, werd vernietigd.
 
De Concilievaders gaven de opdracht deze te bewaren en te bevorderen met alle middelen.
Hoe men nu iets kan bewaren en bevorderen door het te vernietigen, is iets wat mijn verstand totaal te boven gaat.
Misschien dat een geleerde peritus als Pater Gelineau dit zů zal kunnen uitleggen dat het hemzelf voldoet, maar zeker niet zů dat het mij voldoet, en ook U niet, naar ik hoop.
 
Het is een vaste gewoonte geworden van liturgische deskundigen, en maar al te vaak ook van Bisschoppen, de herders van hun kudde, om priesters of leken, die de waarde van welke liturgische verandering ook, die ons na het Concilie werd opgelegd, zelfs maar durven betwijfelen, te berispen door hen te zeggen dat zij ongehoorzaam zijn aan het Concilie.
Daarbij gaan zij van de vooronderstelling uit, die helaas meestal maar al te gegrond is, dat de meeste priesters en leken weinig of niets afweten van wat het Concilie werkelijk heeft geleerd aangaande de liturgie.
Het is de plicht van iedere actieve leken-apostel, om de Constitutie over de Liturgie van Vaticanum II door en door te leren kennen, zodat hij onderscheid kan maken tussen de geboden die dat Concilie in de mond worden gelegd, en hetgeen het in feite oplegde.
Als men eens dit onderscheid heeft leren maken, wordt het zonneklaar, dat er niet aan het Concilie is gehoorzaamd, en wel met grootschalige en wereldwijde ongehoorzaamheid.
Maar de aanstokers daarvan zijn vooral zij, die zich tot taak stelden de Romeinse Ritus te vernietigen...: Uw geboorterecht, mijn geboorterecht en het geboorterecht van onze kinderen.
 
ARTIKEL 23
Art. 23 der Liturgische Constitutie ziet er even geruststellend uit als nr. 4: "Tot vernieuwingen moet men niet overgaan tenzij het ware en zekere belang der Kerk dit eist, en dan moet ervoor gezorgd worden, nieuwe vormen als het ware op natuurlijke wijze te laten groeien uit de reeds bestaande". (Sacrosanctum Concilium, nr. 4; vert. uit het Latijn, M.S.)
Is dit gebod nu nagekomen?
Ik laat het aan U over daarover te beslissen.
Wie nog een Missaal bezitten van de Oude Ritus, zouden eens 'n uur of twee er aan kunnen besteden, om alleen maar het Gewone der H. Mis na te kijken, het gedeelte dat iedere dag hetzelfde blijft.
Onderzoek iedere verandering en vraag U af: "Is dit voor het ware en zekere belang der Kerk vereist"?
Zijt gij betere Katholieken omdat ge niet langer de knie buigt bij het incarnatus est van het Credo?
Zijn Uw kinderen vromer dan gij waart op die leeftijd, omdat die verheven woorden uit het eerste hoofdstuk van het Evangelie van St. Jan op het einde der H. Mis niet meer gezegd worden?
Zijn uw priesters heiliger mannen, omdat zij de psalm Judica me aan het begin der H. Mis niet meer zeggen: de psalm, die hun in herinnering bracht, dat zij een plechtig Offer op Gods altaar gingen opdragen: "Introibo ad altare Dei"?
En verder: als men de veranderingen zorgvuldig onderzoekt zal men een verontrustende samenloop ontdekken; ik vermeldde die al eerder.
Bijna ieder gebed dat verwijderd werd, of iedere ceremonie die werd geschrapt, komt overeen met een door de Protestantse [d.i. anglicaanse] hervormers der zestiende eeuw verwijderd gebed of ceremonie.
In 1968 stelde Kardinaal Gracias deze vraag: "Willen wij, in een geest van vals oecumenisme, andere christelijke gemeenschappen of niet-christelijke godsdiensten paaien met beginselloze schikkingen inzake grondbeginselen?".
Hij kon niet vermoeden, dat op datzelfde ogenblik de leden van het Consilium (de commissie voor de uitvoering van de Liturgie-Constitutie), precies dit bezig waren te doen bij het opstellen van de nieuwe ritus van de H. Mis!
 
Nr. 21 schrijft voor: "In dit herstel moeten teksten en riten zo opgesteld worden, dat zij het heilige dat zij in tekenen aanduiden, duidelijker tot uitdrukking brengen".
De H. Mis is op de eerste plaats een plechtig Offer dat aan de almachtige God wordt opgedragen door een priester, handelend in de Persoon van Christus.
Zou zelfs de meest opgetogen voorvechter van de nieuwe liturgie kunnen beweren, dat dit in de Nieuwe Mis duidelijker uitgedrukt wordt dan in de oude?
Als dat niet zo is, dan waren zij, die haar samenstelden, ongehoorzaam aan het Concilie.
 
Waar helemaal geen twijfel over bestaat, is dat de woordvoerders van een aantal protestantse sekten de hervormde ritus als een welkome stap in de richting van de Reformatie hebben verwelkomd.
Zolang de Tridentijnse H.Mis als het middelpunt der Godsverering van de Romeinse Ritus overeind bleef, kon er geen echte 'voortgang' geboekt worden in de oecumenische samenspraak van Katholiek en Protestant.
Al te duidelijk was de Tridentijnse H. Mis een getuigenis voor het offer als grondslag van de katholieke Eredienst, en dat is anathema (een godslastering) in de ogen der Protestanten: dus weg ermee.
 
En waartoe?
In alle oecumenische onderhandelingen van na het Concilie kwamen de toegevingen slechts van één kant, de katholieke kant.
Ons liturgisch erfdeel werd vernietigd, de katholieke waarheid gecompromitteerd, de gelovigen werden geŽrgerd, en heel de opbrengst is, wat beschreven wordt als 'een veranderd klimaat'.
De lucht is inderdaad veranderd in een lucht van godsdienstige onverschilligheid, waarin - ik herhaal de woorden van Kardinaal Gracias, andere godsdiensten gepaaid worden met een geest van vals oecumenisme.
 
Zo kom ik op de kwestie van de volkstaal.
Steeds maar weer wordt ons gezaegd dat het Concilie een verandering voorschreef van Latijn naar volkstaal.
Het deed niets van dien aard.
Art. 36 bepaalt: "Het gebruik der Latijnse taal moet in de Latijnse riten worden bewaard, behoudens het particuliere recht".
Een toegeving werd gedaan in zoverre, dat enige volkstaal kon worden ingevoerd in bepaalde delen der H. Mis, waar dat pastoraal nuttig werd geacht.
De Concilievaders kregen de indruk, dat dit vooral sloeg op de lezingen.
Geen twijfel lijkt het, dat zij wensten, dat Latijn de norm zou blijven.
Als zij een algemene omzwaai hadden gewenst naar de volkstaal, dan zouden zij hebben verteld dat de H. Mis voortaan in de volkstaal zou worden gelezen, maar enig Latijn kon blijven waar dit pastoraal wenselijk werd geacht.
Maar neen!
Latijn bleef de norm en als toegeving kon een beperkt gebruik van de volkstaal worden ingevoerd.
Het Concilie gaf geen bevel om ook maar een woord van de H.Mis, waar en wanneer dan ook, in de volkstaal te lezen.
Wie dit wil betwisten moet maar eens één tekst met zulk een bevel in de Liturgie-Constitutie aanwijzen.
Art. 54 beval bovendien: "Er moet aan gewerkt worden, dat de gelovigen die delen der H. Mis in het Latijn kunnen meebidden en meezingen, welke voor hen bedoeld zijn".
Dit bevel van een Algemeen Concilie is in geheel het Westen schandalig in de wind geslagen.
Ik ben er zeker van, dat het ook getart is in uw eigen land.
 
DE KERKMUZIEK
Nu dan de kerkmuziek!
Heeft het Concilie hierover iets voorgeschreven?
Dat heeft het zeker: "De Kerk erkent de Gregoriaanse zang als eigen aan de Romeinse Liturgie; daarom moet aan haar, als het overige gelijk is, de ereplaats in de liturgische diensten gegeven worden" (S. Conc. 116).
Hoeveel parochies kent U, waar dit uitdrukkelijk gebod van een Algemeen Concilie niet met voeten getreden wordt?
 
Hier wil ik afrekenen met een erg schoonschijnende redenering, om het prijsgeven van de Gregoriaanse zang goed te praten.
Men beweert, dat die vreemd is aan de godsdienstige beschaving van India [waar de rede werd uitgesproken] en vele andere landen.
Men wil zelfs, dat haar een westerse invloed aankleeft.
 
Dit is inderdaad de dwaasheid ten top.
Wij zijn Katholieken van de Romeinse Ritus, en taal en muziek van die ritus zijn onze taal en muziek, tot welk volk wij ook behoren.
De Latijnse taal en de Gregoriaanse zang hebben, om maar iets te noemen, met de Engelse beschaving niet meer gevoelsbinding dan met die van India.
 
St. Augustinus van Canterbury landde in het graafschap Kent (Eng.) in de zomer van 597 om heidense stammen van Germaanse afgodsdienaars te bekeren, de voorvaders van de huidige Engelse natie.
Hij vierde de H. Mis niet in hun eigen taal en hij lijfde hun gebruiken niet in bij de liturgie.
Hij gaf hun godsdienstonderwijs en leerde hun, God te vereren in de Romeinse Ritus.
De Gregoriaanse zang werd spoedig gehoord in de kloosters, die gegrondvest werden; kloosters die de Engelsen zo werkzaam gingen beschaven. Deze ritus en deze zang waren in ieder belangrijk opzicht gelijk aan die welke St. Franciscus Xaverius meebracht naar Goa ,[aan de kust van India] en de Franse missionarissen naar de Noord-Amerikaanse stammen, vaak ten koste van hun leven, en zij waren gelijk aan die, welke Katholieke missionarissen overal meebrachten waar zij de boodschap van het Evangelie predikten, al ruim meer dan vijftienhonderd jaar lang.
 
Ja, het is waar: de Romeinse Ritus belichaamt de geest van het Christelijke Rome, het Rome van St. Petrus, het Rome der martelaren; maar de geest van het Christelijke Rome heeft niets méér van doen met de westerse cultuur, dan de geest van het Boeddhistische Tibet.
Hij heeft echter in feite veel meer gevoelsbinding met de diepste godsdienstige aard van India, dan met de strijdlustige, ongoddelijke wangeest van het huidige Westen.
 
Het argument tegen het gebruik van het Latijn en het Gregoriaans, omreden van een andere beschaving, is slechts schone schijn.
Ik zal een zeer groot geleerde aanhalen, die dit duidelijk gesteld heeft:
"De geest van de Kerk als uitgedrukt in het gezaghebbend woord der Vaders, is noch Oosters, noch Westers, maar algemeen.
Hij is uitgedrukt in Westerse talen -Grieks en Latijn - maar zijn blijvende vorm en bewoording kreeg hij veeleer in Afrika en AziŽ dan in Europa.
En hetzelfde geldt voor de Latijnse Liturgie zelf.
Het lijdt geen twijfel, of de Romeinse Ritus, die de andere Latijnse riten heeft overleefd en in zich opgenomen, is onuitwisbaar getekend met de Romeinse geest door haar eenvoud, ernst en bondigheid.
Maar dat wil niet zeggen dat zij daarom, als wijze van Godsverering, uitsluitend aan de moderne westerse mens zou zijn aangepast, of dat haar geest vreemd zou zijn aan die van het Oosten.
Integendeel, zij is gekenmerkt door iets blijvends, algemeens, boventijdelijks, en haar muziek, die zo ver af staat van het moderne Westen, geeft daar een extra accent aan.
Want heeft de H. Mis iets van doen met westerse cultuur?
Zij is de eeuwige offerande van een eeuwig priesterschap: 'zonder vader, zonder moeder, zonder stamboom, zonder begin of levenseinde, maar gelijk de Zoon van God, priester blijvend voor eeuwig' (Hebr. 7,3)."
 
Hadden maar meer katholieke geleerden het doorzicht gehad, om hetgeen voor wetenschappelijke redenering doorgaat in de Kerk van vandaag, aan zulk een scherpe beoordeling te onderwerpen.
En de naam van deze grote geleerde: Valerianus Kardinaal Gracias.
Zijne Eminentie verklaarde verder: "De Kerk is niet gehouden zich aan te passen aan culturele verschillen.
Zij kan, welke vormen en instellingen dan ook, die zij nodig heeft, uit iedere cultuur nemen en tot een nieuwe eenheid vormen, die de uitwendige manifestatie is van haar geest, en het orgaan van haar zending in de wereld.
Als dit zo is, is de te stellen vraag niet, of de afzonderlijke elementen van deze eenheid ontleend zijn aan het Oosten of het Westen, maar of zij geschikte middelen zijn om het bovennatuurlijk doel der Kerk te bevorderen.
Zo ja, dan stijgen zij geheel uit boven de sfeer van het politieke nationalisme en de nationale cultuur".
 
Ik zou U willen voorhouden, dat de Latijnse taal, de Tridentijnse H. Mis en de Gregoriaanse zang inderdaad de geŽigende middelen zijn, waardoor de Kerk geraakt aan haar bovennatuurlijk doel.
Zij zijn geheiligd door de tijd, geheiligd door de toewijding van heiligen, geheiligd door het bloed van talloze martelaren.
Ze zijn als geestelijke schatten toevertrouwd aan de hiŽrarchie, niet als dingen, waarvan men afstand kan doen, als dat zo uitkomt, maar als het erfdeel van ieder Katholiek van de eerbiedwaardige Romeinse Ritus.
Zij zijn uw geboorterecht geweest en het mijne, en ook het geboorterecht van onze kinderen, maar zij die daarover hadden moeten waken, hebben ze afgedankt, en wat hebt ge ervoor teruggekregen?
De verheidenste riten van het Nationaal Bijbels Catechetisch Liturgisch Centrum van India, te Bangalore.
 
TIJDBOMMEN IN DE TEKSTEN
Zojuist heb ik voor U teksten uit de Constitutie over de Liturgie van Vaticanum II aangehaald, teksten die ogenschijnlijk de Romeinse Ritus behoeden voor iedere wezenlijke verandering.
Ik vermeldde al de mening van Prof. Louis Salleron, dat de Constitutie hem voorkwam als de kroon op het werk der liturgische vernieuwing, waarvoor met goedkeuring van de Paus de liturgische beweging heel deze eeuw reeds gewerkt heeft.
Pater Louis Bouyer, de Franse liturgiedeskundige en een der meer conservatieve periti op het Concilie, kwam zo onder de indruk van deze Constitutie, dat hij een boek schreef met als titel: De herleefde Liturgie, dat in 1964 verscheen.
In dit boek voorspelde hij de opbloei van een grote liturgische vernieuwing, die door de Constitutie zou worden geÔnspireerd.
Tegen 1968 was hij totaal ontnuchterd.
Hij gaf lucht aan zijn teleurstelling in een nieuw boek met de titel: De Ontbinding van het Katholicisme.
In dit boek betoogde hij, dat hetgeen in naam van de Constitutie werd opgelegd, niet alleen verraad was aan de bedoelingen der Concilievaders, maar ook aan de liturgische beweging zelf.
En dit geschiedde een vol jaar voordat de nieuwe Misritus werd afgekondigd!
Pater Bouyer ging zelfs zover vast te stellen: "Wij moeten duidelijke taal spreken: er is tegenwoordig in de Kerk praktisch geen liturgie, welke die naam verdient".
 
Hoe kon het gebeuren dat een Liturgie-Constitutie, die alle door mij genoemde waarborgen bevatte, gebruikt ging worden om een liturgische revolutie goed te praten op zulk een schaal, dat zij zo'n radicaal brandmerk ontlokte aan een geleerde, die bekend stond om zijn gewogen en gematigd oordeel?
Herinnert U ook de bluf van Pater Gelineau: "De Romeinse Ritus is vernietigd"!
 
Maar ik heb U reeds het antwoord gegeven: Er werden dubbelzinnigheden in de tekst vervlochten door periti, die hun plannen al klaar hadden om de Constitutie uit te leggen op een manier, waarvan de Vaders die er voor gestemd hadden niet het flauwste vermoeden hadden.
Is dit zo maar een lichtvaardige bewering van een gewone leek, die niet eens op hét Concilie aanwezig is geweest?
Geenszins!
Kardinaal Heenan was niet slechts tegenwoordig op het Concilie, hij was ook een der meest actieve van de Vaders.
In zijn boek: Een doornenkroon legt hij het volgende getuigenis af:
 
"De Bisschoppen hadden de indruk dat de liturgie ten volle besproken was.
Achteraf is het duidelijk, dat men hen slechts de gelegenheid had "gegeven, algemene uitgangspunten te bespreken.
De later ingevoerde veranderingen waren veel radicaler, dan Paus Johannes en de bisschoppen die vůůr het decreet over de liturgie stemden, hadden bedoeld.
De toespraak, die Paus Johannes hield op het einde van de eerste Zitting, toont dat hij niet vermoedde, welke plannen de liturgie-deskundigen aan het uitbroeden waren ".
 
Kan het nog meer op de man af gezegd worden?
Kardinaal Heenan deelt ons in bewoordingen van prijzenswaardige duidelijkheid mee, dat de periti de bedoeling hadden de Constitutie te gaan gebruiken op een manier waarvan Paus noch Bisschoppen ook maar het flauwste vermoeden hadden.
 
De dubbelzinnige passages, die de periti in de Constitutie vlochten, waren tijdbommen, afgesteld om te ontploffen na de terugkeer van de Vaders naar hun eigen landen.
De mij toegewezen tijd laat niet toe, meer dan slechts enkele voorbeelden hiervan te noemen.
 
Ik heb reeds de zinsnede in Art. 54 genoemd, die eist dat het volk in staat moet zijn om samen in het Latijn die delen der Mis te zeggen of te zingen, die voor hen bestemd zijn.
Maar onder Art. 54 ligt ook een tijdbom, die de wetgeving van het Concilie, die het Latijn voor de Romeinse Ritus als norm eist, hoog in de lucht opblies.
Deze bestaat uit niets meer dan een toegeving in de verklaring dat een "redelijke plaats kan worden toegewezen aan de volkstaal, in Missen die gevierd worden met het volk, vooral bij de lezingen en de voorbeden, en eveneens, als plaatselijke omstandigheden dit wettigen, in die delen, welke voor het volk bestemd zijn".
De ruime uitleggers van het Concilie nemen aan, dat de meeste Vaders dachten niet méér goed te keuren, dan de mogelijkheid van de volkstaal in het onderrichtende of gedialogeerde deel aan het begin van de Mis, met behoud van het Latijn voor de hoofdgedeelten.
De Vaders hadden de overtuiging, dat de Canon van de Mis en andere gebeden, die door de priester in de hem eigen rol van celebrant uitgesproken worden, bijvoorbeeld de gebeden van het Offertorium, niet onder de bewoording van Art. 54 vielen.
Kardinaal Montini van Milaan, die later Paus Paulus VI zou worden, verklaarde, in een debat over de Constitutie op het Concilie, met evenveel woorden, dat het ondenkbaar was dat de Canon ooit in enige andere taal zou kunnen zijn, dan het Latijn.
"Als het gaat over de taal ten gebruike in de openbare eredienst", zo waarschuwde hij "denk dan ernstig na, alvorens te besluiten om die delen der liturgie, die eigen zijn aan de priester, te laten zeggen in enige andere taal dan die ons door onze voorvaderen is overgeleverd; want slechts zů zal de eenheid van het Mystieke Lichaam in het gebed, en de nauwkeurigheid van de gewijde formulieren, gehandhaafd blijven".
Profetische woorden, inderdaad!
Als de Concilievaders de tekst met meer kritische zin gelezen zouden hebben, dan hadden zij bemerkt, dat deze niet nadrukkelijk verbood, om welk deel der Mis dan ook in de volkstaal te vieren.
Zij kregen de indruk dat ieder deel der Mis, dat niet met name werd ingesloten, uitgesloten was [van het gebruik der volkstaal], maar de periti verklaarden na het Concilie, dat ieder deel, dat niet met name was uitgesloten, ingesloten was [zodat de volkstaal er dus toegestaan zou zijn], en zoals zojuist gezegd: geen enkel deel der Mis was met name uitgesloten.
 
Wij moeten de Concilievaders niet te hard vallen over hun gebrek aan waakzaamheid.
Over het algemeen vertrouwden Katholieken elkaar in die dagen.
Zoals het boek van de heer Kulanday in het geval van Uw land [India] toont, is vetrouwen één van de grote ongelukken geworden in de na-conciliaire Kerk.
leder die dit niet gelooft, moet zijn analyse eens lezen van de wijze waarop Aartsbisschop Lourduswamy van het Vaticaan toestemming verkreeg voor zijn berucht Twaalf Punten Plan, om de liturgie van India te verhindoeÔseren.
 
De mate waarin de gewone Concilievader zalig onwetend was van wat voor plannen de deskundigen hadden op de dag zelf waarop hij zijn stem gaf vůůr de Liturgie-Constitutie, in november 1963, is goed vastgelegd door wijlen Aartsbisschop Robert Dwyer van Portland, Oregon, USA. Aartsbisschop Dwyer was zonder twijfel de cultureel meest verfijnde van alle Amerikaanse Bisschoppen, die ter Kerkvergadering waren samen gekomen.
Hij betuigt dat hij niets bespeurd had, noch in de bewoording, noch in de geest van het document "dat ook maar op de minste afwijking van het historisch verleden der liturgie, van haar heilige tradities, van haar eerbiedwaardige gebruiken, zou kunnen duiden. ..
Wie had op die dag kunnen vermoeden, dat binnen een paar jaren, minder dan tien, het Latijnse verleden der Kerk zo goed als uitgewist zou zijn, verschrompeld tot een herinnering, vervagend op de achtergrond.
De gedachte alleen al zou voor ons een schrikbeeld geweest zijn, maar scheen zover van het mogelijke verwijderd, dat het lachwekkend was.
Dus lachten wij erom ...
En toen het op stemmen aankwam, deden wij, zoals Sir Joseph Porter KCB het uitdrukte: "Wij kozen steeds op de partij haar wenken, nooit kwam het in ons op om zelf te denken".
Op die manier kun je jezelf een hoop ellende besparen".
 
LITURGISCHE INSTELLINGEN
Aartsbisschop Dwyer betreurde vervolgens dat de Latijnse Kerk zich had afgesneden van de wortels van haar beschaving en van heel haar grootse muzikale erfenis.
Hij herinnerde aan een waarschuwing, door de grote Ierse Kardinaal MichaŽl Browne gegeven tijdens een debat op het Concilie: "Caveamus, Patres, caveamus!" - "Laten wij op onze hoede zijn, Vaders, op onze hoede!"
"Wij zouden het nu wat ernstiger moeten opnemen".
Met recht, dat zouden wij moeten!
 
Wij hadden ons ook meer gelegen moeten laten liggen aan een waarschuwing van de grootste van alle liturgisten, Dom Prosper Guéranger.
In zijn werk Liturgische Instellingen, dat verscheen in 1840, waarschuwde hij voor een "anti-liturgische ketterij", die een kenmerk is van alle vijanden van de Kerk.
Hij waarschuwde dat, als wij die ketterij bestuderen "wij duivelse slimheid aan het werk zullen zien, die vakkundig haar treffers plaatst, en onfeilbaar zeker tot diepgaande gevolgen zullen leiden.
Het eerste kenmerk van die anti-liturgische ketterij is haat tegen de traditie, zoals neergelegd in de formuleringen die gangbaar zijn in de goddelijke eredienst ...
Iedere sektariŽr, die een nieuwe leer wil invoeren, komt onherroepelijk oog in oog te staan met de liturgie die traditie is op zijn sterkst en best, en hij geeft zich geen rust voordat hij die stem heeft gesmoord, voordat hij die bladzijden aan stukken heeft gescheurd die herinneren aan het geloof van voorbije eeuwen.
Zie de feiten: hoe konden Lutheranen, Calvinisten, Anglicanen, zich vestigen en hun invloed handhaven over het volk?".
Ja, hoe?
Ja, denk even voor Uzelf na over het antwoord hierop.
Hoe konden de protestantse sektariŽrs slagen en hun greep op het volk behouden?
Hier komt het antwoord van Dom Guéranger.
Luister er toch goed naar!
Prent het Uzelf in.
Blijf het overwegen nadat dit congres is geŽindigd en durf de harde werkelijkheid, die er in besloten ligt, onder ogen te zien:
 
"Het enige wat zij hadden te doen", stelt Dom Guéranger vast, "was nieuwe boeken en formuleringen in plaats van de oude te stellen, en klaar was hun werk".
"Het enige wat zij hadden te doen was nieuwe boeken en nieuwe formuleringen in de plaats stellen van de oude, en hun werk was klaar".
Nergens hoefden de nieuwlichters nog over in te zitten.
Zij konden naar believen hun prediking voortzetten: het geloof van het volk was daarna weerloos".
 
Dit geeft wel te denken, niet?
Ja, overweeg deze woorden in verband met het oordeel der katholieke Bisschoppen van Engeland en Wales, over de liturgische riten die door de afvallige Aartsbisschop van Canterbury, Thomas Cranmer, werden opgesteld: "Het van de grond af omwerken der bestaande riten is een onderneming, waarvoor wij geen rechtvaardiging in de geschiedenis kennen en die ons geheel en al ongeloofwaardig voorkomt".
 
Dom Guéranger had veel te zeggen over de haat tegen het gebruik van het Latijn in de liturgie, waarvan de vijanden van de Kerk blijk gaven.
Neem het mij niet kwalijk als ik hem uitvoerig aanhaal.
Ik weet zeker dat U geen woord zou willen missen van wat hij te zeggen heeft.
 
"Omdat de afschaffing van handelingen en bewoordingen met mystieke betekenis en der belangrijkste doelstellingen was van de hervormde liturgie volgt daaruit logisch, dat de makers ervan de volkstaal gingen eisen in de goddelijke eredienst.
In de ogen der sektariŽrs is dit een heel belangrijk punt.
De eredienst is geen geheime zaak.
Het volk, zo zeggen zij, moet begrijpen wat het zingt.
Haat tegen de Latijnse taal staat alle vijanden van Rome in het hart gegrift.
Ze beseffen goed dat deze de band is tussen Katholieken over geheel de aarde, de wapenkamer van de rechtgelovigheid tegen alle kronkels van dweepzieke afwijkende geesten.
Zij zien die als het krachtigste wapen van het Pausschap.
De geest van opstand, die hen ertoe brengt het algemene gebed toe te vertrouwen aan de taal van ieder volk, van ieder gewest, van iedere eeuw, heeft trouwens de hem eigen vruchten voortgebracht, en de volgelingen der Reformatie zien steeds weer dat het katholieke volk, ondanks zijn Latijnse gebeden, meer geestelijk genot vindt in de met meer ijver vervulde plicht van eredienst, dan het Protestantse volk.
In katholieke kerken vindt op ieder uur van de dag de goddelijke eredienst plaats.
De gelovige Katholiek, die er aan deelneemt, laat zijn moedertaal achter bij de deur.
Buiten de preken hoort hij niets dan geheimvolle woorden, en zelfs die kan hij niet horen op het plechtigste ogenblik van de Canon der H. Mis.
Toch bekoort dit mysterie hem zo, dat hij niet jaloers is op het lot van de Protestant, ofschoon deze geen lettergreep hoort waarvan hij de betekenis niet begrijpt ...
Het was een meesterzet van het protestantisme, de oorlog te verklaren aan de gewijde taal, dat moeten wij toegeven.
Als het er ooit in slagen zou haar te vernietigen, zou het een heel eind op weg zijn naar de overwinning."
 
Omwille van een vals oecumenisme is de gewijde taal nu in heel het Westen uitgeroeid, en wat in deze landen van de katholieke Kerk overbleef is praktisch niet te onderscheiden van het Protestantisme .
Opiniepeilingen over morele kwesties, die in de Verenigde Staten werden verricht, tonen bijna geen verschillen van opvatting meer bij hen, die een van deze beide godsdiensten belijden.
 
"ACTIEVE" DEELNEMING
Onder Art. 14 van de Constitutie over de Liturgie ligt een bijzonder gevaarlijke tijdbom.
Dit artikel bepaalt, dat bij het herstel van de liturgie de actieve deelneming van het volk moet beschouwd worden vůůr al het andere; dit tenminste is wat de vertalingen van de Constitutie beweren.
Het Latijnse woordvoor 'actief' is activus.
Maar dit komt in de officiŽle Latijnse tekst van de Constitutie nergens voor in verband met de deelneming van de gelovigen.
Het woord dat daar wel wordt gebruikt is actuosus.
Het is moeilijk, dit woord weer te geven.
Het houdt activiteit in, maar met de bijkomende gedachte aan ijver, een oprechte, innige en innerlijke deelneming aan de H. Mis.
Deze innerlijke deelneming is het, welke met voorrang aandacht moet krijgen.
Onder de H. Mis moeten wij ons hart en onze geest tot God verheffen, onszelf één maken met de priester aan het altaar in het opdragen van het Goddelijk Slachtoffer, en onszelf offeren in vereniging met Hem.
Dat is het ideaal dat Paus Pius XII ons voorhield in zijn encycliek Mediator Dei van 1947.
 
Maar nu komt er een duidelijke verschuiving van de nadruk tussen Mediator Dei en Art. 14 van de Constitutie over de Liturgie, ook al zal dit de Concilievaders, die daar vůůr stemden, wel niet in het oog zijn gesprongen.
Deze verschuiving van de nadruk is er een, die de gehele liturgiehervorming doordrenkt en kenmerkt.
Het is een verschuiving van nadruk, die de naam 'omwenteling' voor deze hervorming volkomen verdient.
Een verschuiving van de nadruk in de liturgie van God naar de mens, waardoor geheel de zin en het doel van de liturgie worden miskend.
Het eerste punt toch, dat wij vanavond hebben gezien was, dat de liturgie alleen zin en betekenis heeft, in zoverre zij gericht is op God.
Wij zagen ook, dat de liturgie het heilige werk is van Onze Heer voor zijn volk; niet iets dat wij doen, maar dat Hij doet, en waarmede wij ons kunnen verenigen.
Dit is juist wat Mediator Dei leert.
 
Het woord actuosus werd steevast vertaald met 'actief' en uitgelegd op de gewone manier van fysieke handelingen.
Zodoende werd er niet zozeer meer op gelet of ieder aspect en ieder moment van de liturgie waarlijk juist en passend is als deel van een plechtig offer, opgedragen aan de almachtige God.
Veeleer wordt ieder aspect en ieder moment van de liturgie gezien vanuit het standpunt van zijn geschiktheid om de actieve deelneming van de gelovigen te bevorderen, die volgens opdracht van het Concilie "moet beschouwd worden vůůr al het overige".
Kardinaal Ratzinger heeft de wijze waarop het woord actuosus overal vertaald werd, betreurd.
In zijn Rapporto sulla fede stelt hij vast, dat de wijze waarop dit woord na het Concilie is gebruikt "een fatale verenging heeft gekregen.
De indruk ontstond, alsof 'actieve deelname' alleen daar bestaat, waar sprake is van uiterlijk waarneembare activiteit: praten, zingen, preken, voorlezen, handen schudden".
Zijn boek is in 1985 verschenen [in de vertalingen, in het Italiaans in 1984].
 
In 1986 luchtte hij zijn hart in veel sterkere termen.
In een artikel in de Homiletic and Pastoral Review van juni 1986 betreurde hij de opkomst van een nieuwe opvatting van 'het volk van God', waarin 'God' niets anders betekent dan het volk zelf, en waarbij in de liturgie dat volk totaal niets viert.
De godsdienst van 'God mens geworden' is vervangen door die van de 'mens god geworden'.
 
GEWETTIGDE AANPASSING
Nauw verbonden met Art.14 is Art.38.
Dit is een tijdbom van echt mega-formaat:
 
"Onder voorwaarde dat de wezenlijke eenheid van de Romeinse Ritus bewaard wordt, zullen bij het herzien van de liturgische boeken voorzieningen worden getroffen voor gewettigde variaties, en aanpassingen aan verschillende groepen, gebieden en volkeren, met name in de missielanden ".
 
Art.40 gaat zelfs nog verder en bepaalt, dat "op sommige plaatsen een zelfs nog radicalere aanpassing der liturgie nodig" is.
Zelfs radicaler dan wat?
Men moet wel aannemen: radicaler dan "gewettigde variaties en aanpassingen", maar de bepaling wat die variaties en aanpassingen zijn, ontbreekt. Ook ontbreekt iedere aanwijzing voor wat onder de " wezenlijke eenheid van de Romeinse Ritus", die behouden moet blijven, dient te worden verstaan.
Ofschoon de H. Stoel zichzelf de laatste toestemming voorbehoudt, geeft hij toch heel wat ruimte aan de nationale hiŽrarchieŽn om zulke aanpassingen toe te staan.
Als een hiŽrarchie eenmaal zo'n toestemming heeft gegeven, wordt het zeer moeilijk voor de Heilige Stoel om de bekrachtiging van die beslissing te weigeren.
Zulk een daad zou de onaantastbaar heilige regel der collegialiteit, die door het Concilie is aangenomen, schenden.
Maar zoals ik hiervoor al heb uitgelegd, kan de praktijk van de collegialiteit betekenen, dat een gehele hiŽrarchie onder druk komt staan om twijfelachtige vondsten aan te nemen, uitgedacht door de periti van vandaag, die volleerd zijn in het manipuleren van bisschoppen.
 
Het is treurig, maar als een hiŽrarchie eens is gemanipuleerd tot het goedkeuren van een of andere vondst, zelfs al hebben de meeste van haar leden daar nooit naar verlangd en voelen zij er weinig voor, dan zullen toch de meeste bisschoppen zich verplicht voelen die 'vernieuwing' te verdedigen, omdat zij denken dat hun persoonlijk gezag daarbij op het spel staat.
 
Onze Heer heeft niet verzekerd, dat de meerderheid der leden van elke nationale hiŽrarchie altijd voorzichtig en moedig zou zijn.
De geschiedenis van mijn land bewijst dat.
Alle Engelse bisschoppen, met de lofwaardige uitzondering van St. John Fisher, werden bereid gevonden de Oath of Supremacy, (Eed op het Oppergezag) af te leggen ter erkenning van Koning Hendrik VIII als "het enige Hoofd op aarde van de Kerk van Engeland".
 
Ik hoef U vanavond nauwelijks uit te leggen, dat India er het schoolvoorbeeld van geeft, tot welke misbruiken Art. 14 kan leiden.
Het boek van Victor Kulanday: De verheidenste Katholieke Kerk van India Iaat dat zien.
In dit moedige werk legt hij de feiten op tafel van de manier waarop de blauwdruk voor de verheidensing van de katholieke Kerk in India, de beruchte 'Twaalf Punten', aan de hiŽrarchie werd opgedrongen door de tactieken te gebruiken die typisch zijn voor weinig gewetensvolle politici.
Daarna werd de goedkeuring van het Vaticaan verkregen door even twijfelachtige handigheidjes, en het eindproduct was de verheidenste liturgie van het Nationaal Bijbels, Catechetisch en Liturgisch Centrum te Bangalore (NBCLC).
De heer Kulanday drong er bij mij op aan, dit centrum te bezoeken toen ik in 1984 in India was.
Hij was er zeker van, dat ik zijn verhalen die ik erover gelezen had, niet zou geloven, tenzij ik het centrum met eigen ogen had gezien.
Ofschoon ik het centrum werkelijk gezien heb, vind ik het nog steeds moeilijk te geloven dat het echt bestaat.
Professor Van der Ploeg drukte het zo uit: "Een liturgie zoals daar in gebruik is, is nog nooit in heel de Christenheid vertoond; zij breekt weloverwogen met heel de traditie van de Kerk; geen enkele intelligente Hindoe zal zich daardoor aangetrokken voelen tot de Kerk en een nieuwe sekte zal eruit voortkomen: een Hindoe-christelijke".
 
Maar het is niet mijn bedoeling U vanavond te onderhouden over liturgische misbruiken in India.
Ik weet zeker dat iedereen die hier aanwezig is dat met meer kennis van zaken kan dan ik.
Ik raakte dit punt slechts aan, om er een voorbeeld van te geven, hoe radicaal de uitleg van Art. 14 in botsing komt met wat de Vaders hebben bedoeld, toen zij vůůr de Constitutie over de Liturgie stemden.
Zij zouden zich dood geŽrgerd hebben aan de walgelijkheden van de NBCLC.
Een prelaat die tijdens het Concilie belangrijke functies vervulde, drukte zich op deze sterke manier uit:
 
"Ik heb er spijt van te hebben gestemd vůůr de Constitutie van het Concilie in naam waarvan ( en hoe!) deze ketterse pseudo-hervorming doorgevoerd is: de triomf van arrogantie en onwetendheid.
Zo het mogelijk ware zou ik mijn stem willen terugnemen en voor een rechter getuigen dat mijn instemming door trucjes verkregen was".
 
DE EENHEID VAN DE ROMEINSE RITUS
Haalt U zich even voor de geest, dat Art. 14 als voorwaarde voor iedere aanpassing aan een andere beschaving stelde, dat de wezenlijke eenheid van de Romeinse Ritus zou behouden blijven.
Waar deze eenheid verloren gaat is de aanpassing door dit feit zelf onwettig.
Het zou onmogelijk zijn, zelfs al rekte men de levendigste verbeelding van het hele sub-continent nog zo ver uit, te stellen dat de Hindoe-riten van het NBCLC en dergelijke centra in heel India de wezenlijke eenheid van de Romeinse Ritus bewaard zouden hebben.
Als dat het geval zou zijn zou een Katholiek, van welk land of welke cultuur dan ook, zich bij dit ritueel thuis voelen.
De waarheid is, dat niet alleen een westerse Katholiek, zoals ik zelf, het gevoel zou hebben bij de riten van een vreemde godsdienst aanwezig te zijn, maar dat ook iedere Indiase Katholiek, bezield van een ware sensus catholicus, het ware katholieke aanvoelen, deze riten uiterst weerzinwekkend zou vinden.
 
Geschrokken van de mate, waarin de Romeinse Ritus in bepaalde delen van India werd ontdaan van alles wat maar Rooms was, maakte Kardinaal Gracias zijn ongenoegen openbaar, met enige wel zeer te gelegener tijd gesproken woorden van Paus Paulus VI.
Deze was al even gealarmeerd door de mate waarin in het Westen het celebreren van de Mis ontdaan werd van zelfs het laatste spoor van de geest van Rome.
Kardinaal Gracias citeerde de volgende woorden:
 
"Wie zichzelf niet Rooms voelt, zal het moeilijk vinden geheel doordrenkt te worden van de adem en geest van de Liturgie.
De romeinse geest beschermt veilig de onbederfelijke echtheid van de Liturgie.
Afwijkingen in de praktijk of in de strijd voor de Liturgie vinden hun oorzaak allereerst in dit gegeven: gebrek aan Roomse geest.
Hij die als gevolg van misplaatste vaderlandsliefde Rome beschouwt als een mededinger, leeft wel in een zeer eng geesteswereldje".
 
Ik ben er van overtuigd, dat ieder van ons, hier vanavond, echt van zijn vaderland houdt.
Ik ben een Brit en ben er trots op, Brit te zijn; gij zijt IndiŽrs en fier omdat gij IndiŽr bent.
Maar als het over godsdienst gaat, zijn wij Rooms en trots dat wij Rooms zijn, en als fiere Roomsen schamen wij ons niet, God te vereren meteen Liturgie, die vervuld is van de geest van Rome.
 
ROME VERLIEST INVLOED
Tot aan Vaticanum II bestond er niet de minste twijfel aangaande het feit dat de Kerk overal in het gebied van de Romeinse Ritus, werkelijk Romeins was.
De catechismussen die in Uw land en het mijne werden gebruikt waren vierkant gegrond op dé Romeinse Catechismus.
De ritus der H. Mis, in gebruik in Uw landen in het mijne, was tot in ieder woord en gebaar hetzelfde als die van de H. Mis, opgedragen te Rome; hetzelfde als die van de H. Mis te Rome niet zomaar in deze eeuw, niet zomaar sinds de afkondiging van het Romeinse Missaal in 1570, maar hetzelfde sinds het tijdperk van St. Gregorius de Grote in de zesde eeuwen grotendeels nog eeuwen daarvoor.
Ik heb reeds Pater Adrian de Fortescue aangehaald, die ons eraan herinnert, dat "zij zonder wezenlijke verandering teruggaat naar de tijd toen zij voor het eerst vaste vorm aannam vanuit de alleroudste Liturgie ... vanuit de Liturgie uit de dagen van Caesar, die de wereld beheerste en dacht dat hij het geloof in Christus kon uitroeien".
 
Mijn dierbare broeders en zusters in Jezus Christus!
Er zijn er, die heden ten dage feitelijk de dienst uitmaken in de Kerk, en niet slechts deze eerbiedwaardige Liturgie willen uitroeien, de Liturgie die Pater Fortescue ons beschreef als de eerwaardigste in het Christendom, maar zelfs denken dat zij dit feitelijk hebben bereikt.
Laat mij U verzekeren dat dit niet zo is !
 
In 1980 deed Paus Johannes Paulus II in zijn Apostolische Brief Dominicae Coenae [(Over) de Tafel Des Heren] een van de meest ongewone uitspraken, die ooit door een opvolger van St. Petrus zullen zijn gedaan.
Het was een verontschuldiging, aangeboden aan iedere gelovige, voor de misbruiken die hen geteisterd hadden in naam van de liturgiehervorming: "Ik wil vergeving vragen ... voor alles wat om welke reden dan ook, door ongeduld of onachtzaamheid, en ook door de soms partijdige, eenzijdige en verkeerde toepassing van de richtlijnen van Vaticanum II, ergernis en verwarring zou hebben veroorzaakt met betrekking tot de uitleg van de leer, en de eerbied, aan dit grote Sacrament verschuldigd".
 
In dezelfde Apostolische Brief bracht de Heilige Vader zijn bezorgdheid om die Katholieken tot uitdrukking, die opgevoed waren met de oude Liturgie in het Latijn en zich nu tekort gedaan voelden.
De Heilige Vader wenste deze Liturgie weer beschikbaar te maken voor deze Katholieken, en onder forse tegenwerking van binnen het Vaticaan en van nationale hiŽrarchieŽn, machtigde hij in 1984 alle bisschoppen in de wereld om de viering der Tridentijnse H. Mis toe te staan in hun diocesen.
Op het eerste gezicht wekt het Indult waarbij deze toestemming werd gegeven de indruk, nogal wat voorbehouden te maken, maar een zorgvuldiger nader onderzoek maakt duidelijk, dat het aantal H. Missen waarvoor iedere bisschop verlof kan verlenen, onbeperkt is.
Sommigen staan al een dagelijkse Tridentijnse H. Mis toe in bepaalde parochies, en het aantal Tridentijnse H. Missen dat over de gehele wereld gevierd wordt, neemt na dit Indult gedurig toe.
Trouwens, zo wil ik gaarne toevoegen, vooraanstaande deskundigen van het Canonieke Recht zijn van mening, dat de Tridentijnse H. Mis nooit wettelijk werd verboden met de volle kracht van het Canonieke Recht en dat dus de afkondiging van het Indult niet nodig was, om priesters van de Romeinse Ritus in staat te stellen haar in vrijheid te vieren.
 
Mijn overtuiging is, dat deze deskundigen van het Canonieke Recht hiermede een onbetwistbare zaak voorstaan, maar vanavond zal ik aan de uitleg daarvan geen tijd meer besteden.
Wat volkomen vaststaat is, dat de Paus wenst dat Katholieken die de traditionele liturgie liefhebben, welke zeer zeker bij uitstek de Roomse geest vertolkt, daartoe worden toegelaten.
 
Kardinaal Mayer, de Prefect van de Congregatie voor de Goddelijke Eredienst, heeft verklaard dat de H. Vader wenst dat dit Indult onbekrompen wordt toegepast.
Bisschoppen, die dit niet doen, werken daarom moedwillig de wil van de Opperpriester tegen.
Helaas is heden ten dage de wil van de Heilige Vader weinig in tel bij vele bisschoppen.
In het Westen werd dit wel zeer duidelijk door het om zich heen grijpen van het misbruik van de H. Communie op de hand, ondanks de overduidelijke wens van Paus Paulus VI dat de H. Communie op de tong de vaste norm blijft.
 
In 1980 had ik een lang gesprek met wijlen Kardinaal Seper, toen Prefect van de Congregatie voor de Geloofsleer, waarvan Kardinaal Ratzinger nu het hoofd is.
Ik deelde hem een aantal schreeuwende misbruiken mede, die vooral in de USA. in de liturgie voorkwamen, en ik vroeg waarom de Heilige Stoel niet ingreep met maatregelen, om deze misbruiken in te tomen.
Hij antwoordde droevig, dat de Heilige Stoel geen greep meer had op de Kerk in dat land.
En dat geldt voor vele andere landen.
Zoals U allen zult weten, zijn enige leden van het AILC [All India Leken-Congres], waaronder de heer Kulanday naar Rome geweest om de uitzinnige misbruiken in de liturgie die in India plaats vinden, onder de aandacht te brengen van het Vaticaan.
Na hun bezoek volgden er geen maatregelen.
Kardinaal Seper had al eens eerder tot Pater Milan Mikulich, een Kroatische priester in de USA., gezegd dat het nu de taak is van de leek, het Geloof in stand te houden.
Dat dit een betreurenswaardige toestand is, is duidelijk.
De verantwoordelijkheid, die hij ons op de schouders legt, is ontzagwekkend, maar toch niet nieuw.
In de tijd van de ketterij van Arius waren het volgens Kardinaal Newman de leken, die het geloof verdedigden tegenover de lafheid of ketterij van de kant van dezelfde bisschoppen, die hun het geloof geleerd hadden.
 
WAT MOET ER GEDAAN WORDEN?
Dit brengt mij op de vraag wat er, ten opzichte van het probleem in de liturgie, moet worden gedaan.
Ik stel deze vraag in schrijnende herinnering aan mijn dierbare vriend Hamish Fraser, zonder wiens voorbeeld ik mij nooit met het lekenapostolaat zou hebben beziggehouden.
Hamish drong er altijd op aan, dat iedere bijeenkomst zou uitlopen op een beslissing om iets te ondernemen.
Terecht hield hij vol dat, als rechtgelovige Katholieken samenkomen om niets méér te doen dan te klagen over de rampen die onze Moeder de Heilige Kerk tegenwoordig teisteren, en dan uit te huilen op elkaars schouders, zij net zo goed helemaal niet kunnen samen te komen.
Iedere vergadering of samenkomst, hield hij vol, moet op handelen uitlopen.
 
Tot welk handelen moeten wij vanavond besluiten in verband met de liturgie der H.Mis?
Het is goed mogelijk dat velen onzer menen dat wij niet verder moeten gaan dan trachten, een einde te maken aan de al te duidelijke misbruiken die Paus Johannes Paulus II ertoe brachten zijn historische verontschuldiging aan te bieden.
Wie zo denken zullen ook menen dat de wijste keus is, gedaan te krijgen dat de H. Mis van het [nieuwe] Missaal van 1969 geheel volgens de regels van dat Missaal wordt opgedragen.
Deze keuze kan ik begrijpen en waarderen, maar ik ben het er toch in het geheel niet mee eens.
Als de bewijsgronden die ik vanavond hier voor U heb uiteengezet juist zijn - en daarvan ben ik overtuigd -, dan is de zogenaamde liturgievernieuwing die na het Concilie is ontstaan, een zaak die geheel en al vreemd is aan het wezen van het katholiek geloof.
Het samenstellen en opleggen aan de gelovigen van nieuwe liturgische riten is strijdig met heel de katholieke traditie.
Een precedent voor een dergelijke manier van doen kan men alleen vinden bij binnen ketterse sekten.
Hierbij moet opgemerkt worden - hoe ongelooflijk het ook moge schijnen -dat zes Protestanten waren uitgenodigd om de Raad 'Concilium' te adviseren, die de nieuwe ritus der H. Mis samenstelde, en dat zij bij deze ontwerp-arbeid zeer actiefwaren betrokken.
 
Aartsbisschop Annibale Bugnini, hoofdontwerper der liturgiehervorming, wiens rol ik wegens tijdgebrek vanavond niet heb genoemd, ontkende dat de protestantse waarnemers er handelend bij betrokken waren.
Met één van hen heb ik persoonlijk contact opgenomen, en hij verzekerde mij dat wat de aartsbisschop stelde niet overeenstemde met de waarheid. Ik wil nog even vermelden, zonder op bijzonderheden in te gaan, omdat de tijd het niet toelaat, dat Paus Paulus VI Aartsbisschop Bugnini in 1975 heeft ontslagen uit zijn functie van Secretaris van de Congregatie voor de Goddelijke Eredienst, omdat hij bewijzen had gekregen die hem ervan overtuigden dat de aartsbisschop een vrijmetselaar was.
Aartsbisschop Bugnini heeft in zijn nagelaten verslag van de liturgievernieuwing toegegeven, dat dit de reden was voor zijn ontslag maar, en het hoeft ons niet te verwonderen, hij beweert dat de Paus misleid was en dat hij nooit een vrijmetselaar is geweest.
 
Wij laten dit voor wat het is; de bewijzen waren voldoende om Paus Paulus te overtuigen en hem tot het nemen van deze zware maatregel te brengen.
Als zijn redenen voor deze ingreep verantwoord waren, dan betekent dit, dat er iets huiveringwekkends met de Kerk aan de hand is.
Zoals u allen bekend is, zijn de vrijmetselaars de gevaarlijkste vijanden van de Kerk.
Het zegt wel wat, dat de vernieuwing die Aartsbisschop Bugnini tot stand bracht, tot in waarlijk schrikwekkende onderdelen overeenstemt met de veranderingen die de vrijmetselaars graag aangebracht wilden zien in de katholieke liturgie; veranderingen die nauwkeurig kunnen worden bestudeerd in een uiteenzetting van hun plannen, door een der meest rechtgelovige bisschoppen van Duitsland, Rudolf Graber van Regensburg, in zijn boek Athanasius en de Kerk van onze tijd.
 
Aartsbisschop Bugnini werd door Dietrich Hildebrand beschreven als 'de kwade geest van de liturgie-hervorming'.
Deze grote theoloog, die nooit iemand van zo iets lichtvaardig zou beschuldigen, stelde dat, als een duivel' de opdracht zou hebben gekregen, de liturgie te ruÔneren, deze het niet beter gedaan zou kunnen hebben'.
Prof. Peter L. Berger, Lutheraan en Professor in de sociologie, maakte de zure opmerking: "Als een door en door kwaadwillige socioloog, die vastbesloten was de katholieke gemeenschap zoveel mogelijk te kwetsen, raadgever geweest zou zijn voor de Kerk, zou hij het karwei nauwelijks beter hebben geklaard".
 
Maar de meest onheilspellende opmerking van alle kwam van Aartsbisschop Bugnini zelf: "De liturgiehervorming is een der grootste veroveringen op de katholieke Kerk en heeft haar oecumenische dimensies".
 
'Een der grootste veroveringen op de katholieke Kerk' - ja, bijna, maar nog niet helemaal.
De katholieke Kerk kan nooit veroverd worden.
Onze Heer heeft ons Zijn plechtige belofte gegeven, dat de poorten der hel Zijn Kerk nooit zullen overweldigen: et portae inferi non praelavebunt adversus eam. (Mt 16, 18)
 
Laten we ons nog eens de waarschuwing voor de geest halen, die Dom Guéranger gegeven heeft tegen de tactiek van de vijanden van Christus om Zijn Kerk te vernietigen: "Alles wat zij te doen hadden was, nieuwe boeken en formuleringen in de plaats der oude te stellen, en klaar was hun werk". Toch, ondanks alle inspanningen van Aartsbisschop Bugnini, om over heel de wereld de Romeinse Ritus te vervangen door zijn nieuwe boeken en formulieren, is hij daarin niet geslaagd.
De Tridentijnse H. Mis weigerde te sterven en weigert dat nog.
Zij werd in Engeland behouden door de tussenkomst van Kardinaal Heenan.
Zij werd in vele landen behouden door het apostolaat van Aartsbisschop Lefebvre en de Priesterbroederschap St. Pius X .
Zij is behouden, omdat in land na land katholieke priesters en leken weigerden de tradities prijs te geven, die zij van hun vaders ontvangen hadden. Vůůr alles werd zij behouden, daaraan twijfel ik niet, omdat zij inderdaad zoals Pater Faber het gezegd heeft: 'de schoonste zaak is aan deze zijde van de hemel'.
Zij werd geheiligd door de devotie van talloze heiligen; zij werd gewijd door het bloed van talloze martelaren.
 
Kardinaal Newman zei waarschuwend, dat ofschoon de vormen van de liturgie niet onmiddellijk van God waren ontvangen, het lange gebruik ze voor ons goddelijk had gemaakt; ze vernietigen zou tenslotte wel de vernietiging kunnen betekenen van het geloof, dat erin besloten ligt.
"Wij moeten op onze hoede zijn", waarschuwde de Kardinaal, "voor hen, die door ons ertoe te brengen onze vormen te laten varen, hopen ons zo ver te krijgen dat wij tenslotte geheel onze christelijke hoop zullen laten varen".
 
Nogmaals, wat moeten wij gaan doen?
Wij moeten van het behouden der Tridentijnse Mis, de eerbiedwaardigste ritus in het Christendom, ons eerste doel makenbij onze inspanningen om aan de ontbinding van het Christendom een halt toe te roepen. In feite moeten wij méér doen.
Wij mogen ons niet ermee tevreden stellen, haar voor uitsterven te behoeden, wij moeten er ook voor strijden, dat zij op de altaren van al onze kerken in ere wordt hersteld als de énige erkende H. Mis van de Romeinse Ritus.
Paus Johannes Paulus II heeft iedere bisschop gemachtigd, de viering van de Tridentijnse H. Mis toe te staan .
Wij leken hebben de plicht, druk uit te oefenen opdat zij met steeds grotere regelmaat gevierd gaat worden, en wel zoveel mogelijk onder begeleiding van de weergaloze schoonheid van de Gregoriaanse zang.
Vaticanum II heeft bevolen, dat het Gregoriaans de norm moet blijven voor de gezongen H. Mis.
 
Er zijn veel volkomen rechtgelovige Katholieken, die het met mij niet eens kunnen zijn.
Zij voeren aan, dat het allemaal veel te ver is gegaan om nog veranderd te kunnen worden, dat we maar het beste van de hervormde, nieuwe liturgie moeten maken, dat wij onze inspanningen moeten richten op de strijd voor een goede godsdienstige opvoeding, een waarachtige zedenleer, en het metterdaad uitvoeren van de Katholieke Sociale Leer.
Deze Katholieken zullen zeggen, dat wij realistisch moeten zijn.
 
Wel, op het punt van realisme deed Hamish Fraser voor geen enkele Katholiek onder.
Hij was een Schot, en Schotten zijn bekend om hun realisme.
Hamish streed zoals niemand anders heeft gestreden voor rechtgelovige catechese, godsdienstige opvoeding, en de juiste sociale leer, maar in de loop der jaren is bij hem de overtuiging gegroeid, dat er geen herstel van de katholieke ordening kan komen, als die niet gepaard gaat met een herstel van wat hij graag noemde de onheuglijk oude Mis.
 
Als men mij vertelt, dat de klok niet kan worden teruggezet, dan denk ik aan de eerlijke taal van Kardinaal Gracias: "Er is één uitdrukking die de modernen zeer graag gebruiken: 'Men kan de klok niet terugzetten'.
Het simpele antwoord is, dat het wel kan, naar de letter en anderszins.
Er is ook een (Engels) spreekwoord: 'Zoals je je bed hebt opgemaakt, zo moet je er op liggen", wat een leugen is.
Als ik mijn bed zo heb opgemaakt dat ik er niet gemakkelijk op lig, mijn God, dan maak ik het opnieuw op".
 
Als commentaar op de uitzinnige lust tot veranderen, die volgde op Vaticanum II, schreef Kardinaal Gracias:
"Het is een gebruikelijke trek of een kwaal van al wie koortsig smacht naar vooruitgang - zij het de eenling, een instelling of een volk - om al te gemakkelijk zijn of haar wortels te vergeten, niet te kijken in de spiegel van het verleden, om zich blind te staren op het heden en slechts aan de toekomst te denken.
Die geesteshouding schept een sfeer van onechtheid, brengt personen, of instellingen of volkeren ertoe, zich ijdel te verlustigen in triomfen van één dag.
Zij kunnen er zelfs in slagen, door hun opvallende successen sommige mensen voor een tijdje, of andere mensen voor een lange tijd, of alle mensen voor zekere tijd voor de gek te houden, maar nooit kunnen zij alle mensen voor alle tijden bedotten.
En dikwijls komt het voor, dat diegenen gered worden, die ertoe gebracht werden, zich hun wortels te herinneren, al viel het dan ook zwaar".
 
Dierbare broeders en zusters in Christus!
Om vandaag hierover met U te kunnen spreken heb ik de lange reis naar Goa gemaakt.
Ik ben gekomen om U te smeken, aan uw wortels te denken, U boven alles te herinneren aan uw liturgische wortels, die ook de mijne zijn en die ook de liturgische wortels waren van alle Katholieken van de Romeinse Ritus, al vijftienhonderd jaren lang.
Deze wortels zijn de liturgische erfenis, die naar Goa is gebracht door Sint Franciscus Xaverius, voordat de Tridentijnse Mis was afgekondigd, maar in ieder wezenlijk opzicht daaraan gelijk, omdat zij beide uit dezelfde wortels zijn voortgekomen.
Om U een bewijs te leveren, dat Kardinaal Gracias gelijk had toen hij zei dat de klok teruggezet kon worden, en om U aan te moedigen, alles te doen wat in uw vermogen is, om de klok van de liturgie terug te zetten, wil ik nog eens terugkomen op de Chaldeo-Malabaarse liturgie, die ik eerder al heb genoemd.
Tot 1983 zag het er naar uit dat door het gedogen van de meerderheid der bisschoppen van de Syro-Malabaarse Kerk in India, deze eerbiedwaardige ritus dermate was bedorven, dat een herstelonmogelijk scheen.
Het was een verloren zaak.
Een eerbiedwaardige ritus was vernietigd in glasharde tegenspraak met de ondubbelzinnige leer van Vaticanum II.
En het meest betreurenwaardige van alles was, dat die liturgie was bedorven onder de actieve aanmoediging van de meerderheid der bisschoppen van de Chaldeo-Malabaarse ritus.
 
Maar op 1 maart 1983 zond de Congregatie voor de Oosterse Kerken een brief aan iedere bisschop van de Chaldeo-Malabaarse ritus afzonderlijk, met het bevel hun liturgie te herstellen in zijn oorspronkelijke vorm en "met het kleinst mogelijke uitstel".
Een gedetailleerde lijst met instructies, die moesten worden gevolgd om dit te bereiken, was eraan toegevoegd.
In deze instructies werd opgemerkt, dat veel veranderingen die de ritus had ondergaan, waren gegrond op "oppervlakkige aanpassingen aan het Westen, gebaseerd op enige der slechtste aspecten van de huidige westerse liturgische praktijken".
Een aantal van die praktijken, aldus het stuk, "hadden de deur geopend voor het middelmatige en laag bij de grondse".
De instructie veroordeelde de opvatting, dat alle liturgische gebeden luidop gezegd moeten worden, zodat iedereen ze kan horen.
"Dit is een onjuist beginsel, zowel uit het oogpunt van de geschiedenis als uit dat van de liturgie", zo staat er.
 
Deze tussenkomst van het Vaticaan bewijst wel, dat de klok teruggezet kan worden en dat wij geen middelmatigheid, geen banaliteit en geen oecumenische compromissen hoeven te aanvaarden.
Het Indult van 1984, dat eens te meer de Tridentijnse H. Mis toestaat, is de eerste stap om te verzekeren dat de Romeinse Ritus bewaard en gekoesterd zal worden, in overeenstemming met de opdracht van het Tweede Vaticaans Concilie.
 
Laten wij weer terugkeren naar de hiŽrarchische waarden waar Dietrich von Hildebrand over schreef, laten wij ons vermogen om te onderscheiden, de discretio, beoefenen en erop staan, dat heel de liturgie -om Prof. Von Hildebrand te citeren- "doordrongen is van deze eerbied voor de Majestas Domini, de Majesteit van God".
Laten wij erop aandringen, dat wij God wensen te eren met de liturgie die de grootste glorie van de Romeinse Ritus is, de eerbiedwaardigste ritus van het Christendom.
Laten wij ons de woorden van Pater Faber voor de geest halen:
 
"Zij kwam voort uit de grote geest van de Kerk en hief ons op van de aarde en uit onszelf; zij hulde ons in een wolk van mystieke zoetheid en de hoogste vedijning van een meer dan engelachtige liturgie; zij reinigde ons welhaast geheel van onszelf en bekoorde ons met een hemelse bekoring, zodat zelfs onze zintuigen schenen te geraken tot een visie, een gehoor, een heerlijk ruiken, een voelen en aanraken dat allesovertreft wat.de aarde geven kan."
 
Dierbare broeders en zusters in Christus, wij allen zijn Rooms-Katholieken.
De Tridentijnse H. Mis, de schoonste zaak aan deze zijde van de hemel, is niet zomaar onze erfenis.
Het is een heilig ons toevertrouwd pand, dat wij moeten bewaren en overdragen aan de geslachten die ons opvolgen; zodat ook zij de Eredienst van God kunnen opdragen met de schoonheid en heiligheid van die gewijde riten, welke onze vaders in het geloof hebben bezield, getroost en gesterkt.
 
Mijn laatste woorden tot U zijn een aanhaling van de grote belijder uit de vierde eeuw, Sint Athanasius.
Zijn welhaast alléén optreden tegen de ketterij van Arius bracht zijn leven in gevaar.
Hij werd geŽxcommuniceerd door een zwakke Paus, die capituleerde voor de druk van de Arianen.
Maar hij had de hele Kerk doorgereisd, van diocees naar diocees, terwijl hij de H. Mis opdroeg en preekte, en priesters wijdde die het ware geloof zouden verdedigen.
Hier is de boodschap die hij gaf aan de leken, van wier steun hij afhankelijk was, terwijl zij op hun beurt van hem afhingen door zijn voorbeeld en bezieling, om trouw te blijven aan het geloof, dat zij bij hun Doopsel hadden aangenomen.
Laat die aansporing van Sint Athanasius heden de kreet worden, waarmee wij ons verenigen.
Dit zijn zijn woorden:
 
"De Kerk ontving niet eerst gisteren haar orde en inrichting.
Deze werden haar getrouwen gaaf geschonken door de Vaders.
Ook het geloof is niet pas gisteren gevestigd, maar het is tot ons gekomen van de Heer, door Zijn leerlingen.
Moge dat, wat in de Kerken van den beginne bewaard werd tot op vandaag, niet in onze tijd worden verworpen; moge wat aan onze hoede is toevertrouwd, niet door ons worden verdonkeremaand.
"Broeders, laat Uzelf als hoeders van Gods mysterieŽn opwekken, om metterdaad op te treden nu gij ziet dat ge van dit alles door anderen wordt beroofd"