H. Marcus

 
Marcus Evangelist, AlexandriŽ, Egypte & VenetiŽ, ItaliŽ; martelaar; Ü ca 68.
De overlevering vertelt, dat de schrijver van het tweede evangelie Markus heette; dat deze gezel was van Petrus en Paulus en dat hij dezelfde is als de 'Johannes Markus' van wie sprake is in de Handelingen der Apostelen. Als dat alles klopt, dan weten we van hem, dat hij uit Jeruzalem afkomstig was, dat zijn moeder Maria heette en huisbaas was in de stad Jeruzalem; in één van haar huizen houdt de eerste christengemeente haar eerste bijeenkomsten. Aanvankelijk vergezelde hij Paulus en Barnabas, die een neef van hem was, op hun zendingsreizen. Hij maakte ook de eerste arrestatie van Paulus mee. Later heeft hij zich bij Petrus gevoegd (deze noemt hem 'mijn zoon'). Kennelijk is dat bij Paulus in het verkeerde keelgat is geschoten (Handelingen 12,25; 13,13 en 15,37-39).
Hij was in de jaren 60 van de eerste eeuw tezamen met Petrus en Paulus in Rome. Volgens de legende maakte hij aantekeningen van Petrus' prediking; daaruit zou later zijn evangelie groeien. Het is het oudste van de vier evangelies. Rond het jaar 140 weet Papias over Markus te vertellen dat deze de uitlegger is van Petrus' verkondiging; dat hij later naar AlexandriŽ is gegaan, dat hij de eerste bisschop van die stad zou zijn geworden en daar de marteldood zou hebben moeten ondergaan.
 
 

Zijn gebeente is in 829 door Venetiaanse kooplui onder militaire bescherming uit AlexandriŽ weggehaald. Die stad was toen geheel onder de invloedssfeer van de Islam gekomen. De Venetianen hebben hem overgebracht naar hun vaderstad. Daar bouwden zij een rijke kathedraal voor hun nieuwe patroonheilige, de San Marco. Deze prachtige kerk staat er nog steeds tot op de dag van vandaag. Jacobus de Voragine vertelt in zijn Legenda Aurea hoe dat in zijn werk ging. Zijn tijdsaanduidingen zijn niet in overeenstemming met onze geschiedkundige berekeningen. Het waren een paar Venetiaanse handelslieden geweest die tijdens hun verblijf in AlexandriŽ door middel van smeekbeden en beloften gedaan wisten te krijgen, dat de beide priesters die Marcus' lichaam moesten bewaken, hun beloofden het lichaam stiekem weg te nemen om het naar VenetiŽ over te laten brengen. Maar toen ze de deksteen van het graf lichtten, verspreidde zich zulk een sterke zoete geur door heel de stad AlexandriŽ, dat ieder zich vol verbazing afvroeg waar zo'n heerlijke geur wel vandaan kon komen. Tijdens de overtocht zeiden de handelslieden aan de bemanning van een andere boot uit hetzelfde flottielje, welk heilig lichaam ze bij zich hadden. Die anderen konden dat gewoon niet geloven en zeiden: "Waarschijnlijk hebben de Egyptenaren jullie bedrogen en een ander lichaam meegegeven. Want wie geeft nou het lichaam van Sint Marcus uit handen?" Op datzelfde moment wendde het schip waarop Sint Marcus vervoerd werd de steven en voer recht op het schip van die ongelovige zeelieden in, zodat er een groot gat in de romp ontstond. Het zou voor dat schip bepaald verkeerd zijn afgelopen, als die bemanningsleden niet vlug hadden geroepen dat het natuurlijk wél het lichaam van Sint Marcus was. Een andere keer was de stuurman 's nachts uit de koers geraakt. Hij wist niet meer waar hij was. Op dat moment verscheen Marcus aan de monnik die hem moest bewaken met de woorden: "Ga aan de matrozen zeggen dat ze onmiddellijk de zeilen moeten reven om vaart te minderen. Want er is land in zicht!" De matrozen volgden die raad op. Dat was maar goed ook. Want bij het ochtendgloren bemerkten ze dat ze in de buurt van een eiland verzeild waren geraakt. Als Sint Marcus niet geholpen had, zouden ze daarop recht te pletter gevaren zijn. In alle landstreken waar het schip aanlegde, kwamen de inwoners aanrennen zonder dat ze door iemand waren gewaarschuwd. Ze riepen: "Wat zijn jullie boffers dat je het lichaam van Sint Marcus bij je mag hebben. Geef ons de kans het even te vereren." Nu was er op dat schip één matroos die koppig ongelovig bleef. De duivel had zich namelijk van hem meester gemaakt, en deze bleef hem kwellen tot het moment dat de man met het lichaam van Sint Marcus werd geconfronteerd en verklaarde te geloven. Van toen af was de man verlost van de duivel. Hij vatte voor Sint Marcus een heel speciale verering op.

In VenetiŽ werd het lichaam onder één van de marmeren zuilen van de kerk geplaatst. Er waren maar weinig mensen die precies wisten waar het lichaam zich bevond. Zo kon het des te gemakkelijker bewaakt worden. Maar toen die mensen allemaal gestorven waren, wist er dus eigenlijk niemand meer waar de heilige schat precies te vinden was. Alle onderzoekingen op dat punt bleven dan ook zonder resultaat. Groot was de verslagenheid bij iedereen, om het even of het ging om priesters of mensen uit het gewone volk. Men rilde bij de gedachte dat het lichaam misschien wel gestolen kon zijn. Er werd een algemene vasten afgekondigd en een wel zeer plechtige processie gehouden door de straten van de stad. Bij het zien van al die mensen in opwinding, begonnen de stenen van één der zuilen los te raken en naar beneden te vallen. Daar kwam de ruimte te voorschijn waar het lichaam verborgen was. De hele stad stond bol van vreugde. Men dankte God voor zo'n wonder. Sindsdien wordt deze gebeurtenis elk jaar in VenetiŽ gevierd als een officieel kerkelijk feest. Hij is patroon van de Italiaanse stad VenetiŽ en van het middeleeuwse kloostereiland in Zuid-Duitsland: Reichenau; daarnaast van notarissen en schrijvers; daarnaast van bouwvakkers, metselaars, glazenmakers, glaszetters, glazeniers en glasschilders, en van mandenmakers. Zijn voorspraak wordt ingeroepen voor goed weer en een goede oogst, tegen bliksem en hagel, en tegen een plotselinge dood. Wordt hij afgebeeld als evangelist, dan heeft hij een gevleugelde leeuw bij zich. Net als zijn leermeester Petrus heeft hij een rond hoofd, korte baard en kale schedel met haarkransje.