Blog

Wilt u zelf een blog plaatsen op het katholieke geloof?
Dat kan!
U kunt dan mailen naar katholiekwebmaster@hotmail.com
 
 

ZOUTLOOS ZOUT OF NIEUW ELAN? - zaterdag 21 juli 2012

Inleiding
Het is, denk ik, onmogelijk, uitputtend de principes en de krachtlijnen te beschrijven die onze hedendaagse maatschappij bepalen. Die pretentie wil ik dan ook helemaal niet hebben. Wel is het mogelijk — en dat wil ik dan ook proberen — enkele belangrijke stromingen te signaleren die onze maatschappij in het oog springend kenmerken en die ook een grote invloed hebben op onze feitelijke kerkelijke gemeenschap die nu eenmaal deel uit maakt van deze maatschappij. Die invloed lijkt soms zodanig aantrekkelijk of overweldigend dat de kerkelijke gemeenschap lijkt op te gaan in de wereld of zich minstens lijkt te verstoppen voor de wereld. Dan verliest ze haar voornaamste evangelische taak zout en licht te zijn. Als de gelovigen het licht van hun geloof onder de kandelaar zetten en zich terugtrekken in harten en in hun huizen om daar hun geloof, praktisch onzichtbaar voor anderen, te beleven, dan verzaken ze aan hun missionaire opdracht. Als er geen kritische houding meer is ten aanzien van seculiere stromingen of - om het met de woorden van het evangelie te zeggen — als het zout zijn kracht verliest, dan dient het nergens meer voor dan om weggeworpen en door de mensen vertrapt te worden. Soms lijkt het erop dat grote delen van de kerk in onze streken zover gekomen zijn. Als ik over Nederland spreek dan durf ik met zekerheid te zeggen dat grote delen van de gelovigen die zich in de jaren zestig, zeventig en tachtig van de vorige eeuw sterk maakten voor modernisering van de kerk en aanpassing aan de moderne tijd, niet in staat zijn geweest een volgende generatie voor hun standpunten warm te maken en voor de Kerk te behouden.

 

Of toch wel: die volgende generatie heeft misschien feilloos begrepen dat ze voor een dergelijk geloof van hun ouders geen kerk nodig hebt maar dat daarvoor een persoonlijke cocktail van opvattingen voldoende is. De stromingen die in onze maatschappij overheersend zijn, zijn grotendeels vijandig aan het christelijke geloof. Dat betekent sowieso dat Kerk en geloof het te midden van die stromingen in dit tijdsgewricht moeilijk hebben maar als die Kerk, zeker in haar plaatselijke verschijningsvorm, geen duidelijke tegenwicht, geen antwoord biedt op deze stromingen maar er grotendeels in haar priesters, religieuzen en gelovigen in meegaat, dan krijg je het resultaat dat we in Nederland op dit moment zien: een stervende Kerk die probeert in kleine groepjes te overleven. Het zout is weggeworpen en vertrapt. En overleven kan alleen als we opnieuw, hoe klein ook, zout worden.

I. BESCHRIJVING VAN DE SITUATIE IN SAMENLEVING EN KERK
Wat zijn nu de stromingen die volgens mij bepalend zijn voor onze samenleving? Ik noem er hier enkele, die trouwens maar moeilijk van elkaar te onderscheiden zijn. Het loopt allemaal een beetje in elkaar over.

1. Rationalisme/modernisme
Het rationalisme is de overtuiging dat alleen datgene bestaat wat met het menselijk verstand te kennen en te vatten is. Het is de denkwijze die stamt uit de Verlichting. Dat is een periode in de geschiedenis, in de 16de en de 17de eeuw, waarin men zich wilde ontworstelen aan de donkere Middeleeuwen. Volgens de denkers van de Verlichting waren de Middeleeuwen onkritisch en bijgelovig. Men geloofde op gezag van de Kerk. Dat alles heeft men gelukkig overwonnen. Het is nu de tijd van de rede. De mens kan zelf nadenken. Deze nieuwe tijd is veruit superieur aan het verleden. En van toekomst verwacht men nog meer. Men gelooft in een constante toename van de rede. Het onbekende hoefde alleen maar ontdekt te worden. Het besef ontstond, dat de mens zelf de meester van zijn eigen lot is. Er heerste optimisme over de mens en zijn natuur en zijn vermogen om zijn omgeving te veranderen. Als men in die denkrichting gelovig blijft, hangt men een soort deïsme aan. Dat wil zeggen: men gelooft in een God die weliswaar de wereld geschapen heeft maar zich daarna van die wereld heeft teruggetrokken. Hij zit op zijn troon God te zijn maar de wereld draait verder op eigen krachten: de mens moet het zelf doen. Hierin passen ook de vrijmetselaarsloges die in die tijd opkomen. Ook zij hangen een soort deïsme aan en spreken in die zin over de grote Bouwmeester van het heelal. In Frankrijk ontwikkelt de Verlichting zich sterk antikerkelijk en leidt daar tot de Franse Revolutie. Deze Franse Revolutie die wilde afrekenen met de bestaande maatschappij en de Kerk, zette de Rede letterlijk op de troon. In november 1796 werd in de Notre Dame in Parijs de godin van Rede ingehuldigd en in het parlement werd besloten de kerk voortaan als tempel van de Rede te beschouwen. Dezelfde taferelen speelden zich af in andere kathedralen van Frankrijk. En wie waren vaak de leiders van deze quasi- erediensten? Afgevallen priesters! Er is ook wat dit betreft niets nieuws onder de zon! Het rationalisme probeerde in de navolgende eeuwen ook steeds opnieuw voet aan de grond te krijgen in de Kerk. De "wereld” leeft en denkt vanuit het ideeëngoed van de Verlichting en dat ideeëngoed probeert steeds weer via bepaalde theologische ideeën ook de Kerk binnen te komen. Die rationalistische bewerkingen van de christelijke geloofsleer worden op den duur in de Kerk samengevat onder de noemer "Modernisme”. De pausen stellen zich te weer tegen deze theorieën die het geloof in het hart ondermijnen. Voorlopig kan de schade nog beperkt worden door krachtdadige pausen zoals Pius IX. Hij publiceerde de encycliek "Quanta cura” die op 8 december 1864 samen met de "Syllabus errorum” verscheen. In de Syllabus worden een tachtigtal dwalingen met name genoemd en veroordeeld. Een volgende in die rij van strijders voor het katholieke geloof tegen de geest van de tijd in, is de heilige Pius X (1903-1914). Van zijn hand verschijnt het decreet "Lamentabili” waarin opnieuw de bekende dwalingen worden veroordeeld en de belangrijke Encycliek "Pascendi”. Volgens Pius X was het Modernisme niet zomaar een dwaling maar een combinatie van alle dwalingen die in de loop van de kerkgeschiedenis zijn opgekomen. Ik citeer hier een stukje uit het begin van de Encycliek: "Dat Wij in deze niet langer mogen dralen, wordt allereerst vereist door het feit dat de kwaadstichters niet zozeer te zoeken zijn onder de vijanden van buiten de Kerk, maar schuilen - en dit is wel de meest trieste en smartelijkste zaak - binnen de eigen boezem, in de Kerk zelf. Zo zijn zij des te verderfelijker naar mate zij minder opvallen. Wij spreken hier, eerbiedwaardige Broeders, over velen onder katholieke leken en - wat nog veel bedroevender is - over een aantal priesters, die onder voorwendsel van liefde voor de Kerk, zonder een degelijke kennis van filosofie en theologie, maar van vergiftigde leerstellingen doortrokken, geïndoctrineerd door leraren die de Kerk haten, zich schaamteloos aandienen als vernieuwers van deze Kerk. in vermetelheid tot één groep aaneengesloten tasten zij de heiligste zaken aan in het werk van Christus. Zij laten zelf de Persoon van de Goddelijke Verlosser niet ongemoeid en in vermetele heiligschennis maken zij Hem tot een gewoon mens zonder meer”. De pausen leggen niet alleen uit en veroordelen niet alleen valse theorieën maar zij kondigen ook werkelijke maatregelen af om de eenheid van de Kerk te bewaren. Er kwam een automatische excommunicatie voor allen die modernistische ideeën verkondigden (1907) en in 1910 werd de antimodernisteneed ingevoerd die alle functionarissen in de Kerk en alle docenten in de theologie moesten afleggen. In die periode werden ook vele theologen op beschuldiging van Modernisme afgezet. Dat hield het gevaar van het Modernisme voor een groot stuk buiten de Kerk, maar het bleef aan de poort van de Kerk op de loer liggen. Dat was des te gevaarlijker omdat het Modernisme bij de protestanten die geen centraal leergezag kennen, wel voet aan de grond gekregen had, vooral in de Bijbeluitleg. Er was dus bij de protestanten een "christelijke” vorm van Modernisme voorhanden. Daarvan zou door theologen en priesters later, toen de deuren en ramen van de Kerk opengingen, dankbaar gebruik gemaakt worden. En die tijd brak aan in de jaren zestig van de vorige eeuw. Het was de tijd van de flower power, de tijd van het optimisme, van de onbegrensde mogelijkheden: voorbij het verstikkende verleden, op naar een mooie toekomst want alle mensen zijn toch van goede wil. In die tijd vindt ook het Tweede Vaticaanse Concilie plaats dat de katholieke Kerk bij de tijd wil brengen. Aangezien de concilievaders uiteraard ook kinderen van hun tijd waren, hadden zij iets van datzelfde optimisme. De concilievaders waren geen modernisten maar had Pius XII nog duidelijk oog voor de dwalingen die op de loer lagen, het Concilie was niet erg veroordelend en waarschuwend en gaf soms door niet al te duidelijke formuleringen aanleiding tot misverstanden en tot de beroemde zogenaamde "geest van het Concilie” die in de na-conciliaire Kerk praktisch altijd modernistisch bleek te zijn. Gaudium et Spes, de Constitutie over de Kerk in de wereld van deze tijd staat in zijn positieve zienswijze op de wereld dichter bij het levensgevoel van de jaren zestig dan bij het begrip "wereld” in het Johannesevangelie. Het Concilie wilde duidelijk breken met een verleden van veroordelen en waarschuwen en van wantrouwen. Men wilde liever bemoedigen en samenwerken. In dit klimaat paste ook het afschaffen van de verplichte antimodernisteneed in 1967. Daarmee gaf men het signaal af, dat het modernisme voorbij was, terwijl het juist met alle kracht de Kerk binnenstroomde en in alle geledingen doordrong. In Nederland was de voedingsbodem blijkbaar heel goed. Ik noem in vogelvlucht maar een paar publieke feiten uit de laatste vijftig jaar: het Pastorale Concilie van Noordwijkerhout (1966- 1970) de Nieuwe Katechismus (1966), de godsdienstcursus van "Ons Middelbaar Onderwijs” (1970), de Acht Mei Beweging (1985-2003), de open brief van de Nederlandse provincie van de dominicanen (2007). Het zijn even zo vele uitingen van Modernisme die om reactie van Rome vroegen en die ook kregen. In tegenstelling tot vóór de jaren zestig werden door de kerkelijke overheid echter weinig tot geen repressieve maatregelen genomen.
Wat zijn kenmerken van het rationalisme!modernisme in de Kerk? Jezus is slechts in een figuurlijke zin Zoon van God. de Bijbel, ook het nieuwe testament, vertelt geen geschiedenis maar alleen geloofsintuïties: daarmee zijn de wonderen in het leven van Jezus geen echte gebeurtenissen, evenmin als de maagdelijke geboorte en de verrijzenis. God grijpt niet in de wereld in. Feitelijk heeft men een deïstisch godsbeeld. liturgie is slechts religieuze zelfexpressie van de mens; sacramenten zijn geen objectieve realiteiten; geen transsubstantiatie. alle geloven komt van beneden, niet van boven; dus geen openbaring maar alleen menselijke ervaring (Kuitert)

2. Nadruk op ervaring en emotie
Een gedeelte van de mensen heeft de godsdienst en het religieuze bewust afgezworen en kiest alleen voor het rationeel bewijsbare. Maar dat is in de praktijk heel moeilijk. Huns ondanks hebben ze soms toch nog last van religieuze uitingen. Een grotere groep echter denkt dat verstand er niet is voor het religieuze. Dat is voor hen het terrein van ervaring en gevoel. Men is vooral uit op een religieus fijn gevoel. Hierin passen een heleboel new-age-uitingen: oosters mediteren, Tibetaanse klankschalen, sacred dance, healing sessies, contact met de overledenen. Het gaat niet zozeer om iets objectiefs als wel om het beleven van iets hogers wat dat dan ook moge zijn. Ook die tendens is in de Kerk doorgedrongen. Soms hecht men weinig waarde aan dogmatiek, aan kerkelijke structuren. Het gaat om het beleven van de Geest. Veel gelovigen hechten niet zo erg veel waarde aan de geldigheid van vieringen als het maar "mooi en inspirerend” is.

3. Het afwijzen van een universeel waarheidsbegrip/relativisme.
De Westerse mens van nu, stelt tegenover de waarheidsaanspraak van de Kerk op zijn minst de sceptische vraag van Pilatus: "wat is waarheid?” Maar meestal wordt hij heel boos dat de Kerk überhaupt de pretentie heeft de waarheid te verkondigen. Volgens de moderne mens bestaat er geen waarheid, alleen de keiharde wetten van de natuurwetenschappen. Religieuze en ook morele waarheid bestaat voor hem eigenlijk niet of is minstens niet echt te kennen. Dat hoort dan tot het domein van louter persoonlijke overtuiging of als het van belang is voor de samenleving tot het domein van de wetgever die democratisch uitmaakt wat "waarheid” is. In dit kader vindt de publieke opinie meestal dat alle religies gelijk zijn; dat géén religie zich met een waarheidspretentie boven de andere mag verheffen (want daar komt maar ruzie en oorlog van). Bovendien moet men religie zoveel mogelijk beperken tot het privaat domein. Geen kruisbeelden in school en rechtszalen; geen ambtsgebed bij de vergadering van de gemeenteraad; geen zichtbaar kruisje voor een trambestuurder. Op het gebied van publieke moraal heeft men afscheid genomen van het natuurrecht waarvan men vroeger aannam dat het universele gelding zou hebben. Dit heeft plaats gemaakt voor een vrij willekeurige meerderheid in het parlement. We nemen één voorbeeld. In alle culturen heeft men het huwelijk altijd beschouwd als een in principe blijvende verbintenis tussen man en vrouw, gericht op onderlinge steun en op het voortbrengen en opvoeden van nageslacht. We hebben altijd gezegd: dat is niet willekeurig; dat is van nature zo. Dat steunt op de natuurwet die wij in de natuur van de dingen kunnen ontdekken en waarvan de gelovigen zeggen dat het Gods ordening is. Dat is met de erkenning van het homohuwelijk volkomen losgelaten. En het is wachten, zoals onze nieuwe hulpbisschop Mutsaerts eens schreef, totdat men het parlementair zo regelt dat men kan trouwen met zijn kanarie of met een ander huisdier. Vanuit een zicht op de natuurlijke orde der dingen, kan men komen tot een objectieve moraal op het gebied van seksualiteit. De Kerk heeft die moraal. De maatschappij niet. Men neemt daar beslissingen op basis van meerderheden en emoties. Een duidelijk voorbeeld is pedofilie. Dit is door de Kerk altijd veroordeeld als strijdig met de bedoelingen van de menselijke seksualiteit. Zo niet de liberale maatschappij. Ik herinner mij dat er in de jaren zeventig van de vorige eeuw in Nederland, vele voorstanders van pedofilie waren die zelfs in maatschappijlessen van scholen hun verhaal konden doen. Senator Brongersma (PvdA) pleitte in de jaren zestig voor de verlaging van de minimumleeftijd voor seksuele contacten; er werden pedofiele pornoblaadjes uitgegeven; de NVSH verdedigde pedofilie. In België had men als ik me niet vergis, Etienne Vermeersch die 1979 opkwam voor een zekere acceptatie van pedofilie. Het moest kunnen als je een kind maar liefdevol benaderde en niet dwong. De huidige algemene en terechte afkeer van pedofilie heeft mijns inziens niet te maken met voortschrijdend inzicht in de eisen van een objectieve moraal. Nee, het heeft alles te maken met walging en emotie rond de zaak Dutroux die een duidelijk keerpunt in het denken over pedofilie heeft gebracht. Het ethisch relativisme is hier niet door de waarheid maar door emotie toevallig in betere banen geleid. Ook dit ethisch relativisme is bij veel moraaltheologen van de kerk, maar ook in de beleving van veel gelovigen doorgedrongen.

4. Het individualisme
Mede als gevolg van de welvaart kent onze maatschappij een enorme tendens naar individualisme. Het individu telt. Was de staat vroeger gewend vooral in gezinsverbanden te denken, nu kijkt men vooral naar het individu. Het huwelijk wordt beschouwd als een optelsom van individuen. Praatte men vroeger over het gezinsinkomen, dan spreekt men nu over het persoonlijke inkomen. Was de zorg voor het gezin en voor de kinderen een volwaardige taak, dat is nu eigenlijk bijzaak. Iets wat gebeuren moet, maar wat je goed moet regelen, onderling en met behulp van crèche en oppas. Het hoogste ideaal lijkt te zijn: ik moet tot mijn recht komen en dat gebeurt doordat ik mij maatschappelijk kan ontplooien. Dat kan met een man of een vrouw maar die mag mijn ontplooiing niet in de weg staan. Als hij of zij een belemmering lijkt te worden voor mijn ontplooiing, dan is het ‘t beste de relatie te verbreken. Zijn er kinderen, dan regel je dat onder elkaar als verstandige mensen. Daarom is echtscheiding aan de orde van de dag. Binnenkort is echtscheiding niet meer nodig want bijna niemand trouwt nog. Dat is veel eenvoudiger. Woorden als trouw, offer, toegewijd-zijn, zijn uit het gemeenschappelijk vocabulair verdwenen. Die toch ook bij uitstek christelijke begrippen staan blijkbaar de individualistische ontplooiing in de weg. De evangelische opdracht "je leven verliezen om het te vinden” komt bij de maatschappelijke idealen niet meer voor. En de realiteit is, dat ook velen die zich nog christen noemen, die idealen verliezen: ook zij huwen niet meer; ook zij scheiden evenveel als niet-christenen. En als men de idealen met de mond nog belijdt, mist men de innerlijke kracht en de maatschappelijke steun om ze te volbrengen.

5. Het wegvallen van de vertrouwde instituties
De Kerk in Nederland zowel als in Vlaanderen was invloedrijk, niet alleen omdat er zoveel katholieken waren maar ook omdat die katholieken zo goed georganiseerd waren. Het geloof werd op alle niveaus van onderwijs gepraktiseerd en doorgegeven. We hadden een goed functionerende, kwalitatief hoogstaande onderwijszuil van basisschool tot universiteit. We hadden een katholieke vakbeweging en politieke partij om het geloof sociaal en maatschappelijk handen en voeten te geven. We hadden katholieke ziekenhuizen waar zorg verleend werd volgens katholieke principes. In Nederland hadden we onze eigen KRO. Ik spreek met opzet in de verleden tijd. Want in ieder geval in Nederland is dat alles voorbij en soms zijn de, vroeger katholieke, instellingen contraproductief en antikatholiek geworden. Dr. Bots heeft in 1981 in zijn boekje "Zestig jaar Katholicisme in Nederland” geconstateerd dat de goed georganiseerde zuil in korte tijd een feilloos instrument geworden is voor kerkkritische houding en geloofsafval. Ondertussen is het zo ver dat de velen het predicaat "katholiek” hebben laten vallen en anderen die het nog wel voeren, beantwoorden er in het geheel niet aan. Ik spreek hier van katholieke ziekenhuizen die even goed als andere abortus, euthanasie en in-vitrofertilisatie praktiseren. Als het over politiek gaat, voert het CDA weliswaar de naam christelijk en zingt het psalmen op zijn toogdagen maar keurt op ethisch gebied alles goed wat God verboden heeft. De macht en de volksgunst zijn belangrijker dan welk principe ook.

II. GEVOLGEN VOOR DE GEMIDDELDE GELOVIGE
Bovengenoemde stromingen — alle afzonderlijk en in combinatie met elkaar — zijn in onze maatschappij zo sterk geworden dat ze een geweldige invloed hebben op de gelovigen. Via de media worden zij voortdurend bestookt met antichristelijke propaganda. Steeds wordt gesuggereerd dat de leer van de Kerk achterhaald is en de paus de meest conservatieve persoon ter wereld is. Misstanden in de Kerk worden uitvergroot en worden heel de Kerk en het geloof aangerekend. Al wat de bisschoppen op dit terrein doen is volgens de spraakmakers onvoldoende. Opvallend daarbij is bijv. het bericht enkele weken geleden dat de Nederlandse Staat tot schadevergoeding veroordeeld is aan overlevenden van een dorp in Indonesië waarvan de mannelijke bevolking indertijd in zijn totaliteit zonder vorm van proces door het Nederlandse leger was uitgemoord. Dit bericht was geen voorpaginanieuws en werd klein gebracht. Er was in de media geen commentaar op het feit dat de staat verjaring voor dit feit had ingeroepen. Heel anders gaat men om met de Kerk. Heel dit antikerkelijk gebeuren wordt extra versterkt door talloze priesters en religieuzen die meehuilen met de wolven in het seculier bos. Van de preekstoel worden soms theorieën verkondigd die volkomen in strijd met de katholieke leer zijn. In veel kerken wordt al jarenlang niet meer de liturgie van de Kerk gevierd, maar zijn de gelovigen overgeleverd aan de grillen van de pastoor of van een liturgische werkgroep. Ik heb vroeger wel eens gezegd, dat ik niet begreep hoe mensen in de tijd van de reformatie in groten getale protestant konden worden. Nu heb ik het onder mijn ogen zien gebeuren. Niet dat ze protestant werden maar wel dat ze stukje bij beetje het katholieke geloof verloren en dikwijls zelfs de kerk stilzwijgend verlieten. Het gebeurt sluipend. De priesters die nog wel katholiek zijn, houden zich meestal gedeisd. Let in de preek op je woorden. Niet al te duidelijk zijn want anders word je voor aartsconservatief versleten en afgeserveerd. Hetzelfde geldt eigenlijk voor de meeste bisschoppen. Zij willen vooral geen gedonder en ze willen koste wat kost de kudde bij elkaar houden. De praktijk in Nederland, de afgelopen vijftig jaar, heeft geleerd dat dat niet werkt; dat je op die wijze op den duur álles verliest. Dat geldt voor de gelovigen, maar dat geldt ook voor de instituties. We hebben geen katholieke scholen meer, geen katholieke ziekenhuizen, geen katholieke omroep. Voor zover ze de naam nog dragen, zijn het meestal lege huizen die eerder tegen het katholieke geloof zijn dan dat ze het bevorderen. Het resultaat is dat wij een kleine vergrijzende groep zijn geworden waarvan nog een gedeelte niet erg principieel katholiek is. Je ziet dat in Nederland met name aan reacties op incidenten. Ik noem hier de kwestie van pastoor Vlaar in Obdam die de eucharistie wel op een heel merkwaardige manier gestalte gaf. De bisschop greep in maar kreeg niet alleen de media maar ook praktisch het hele dorp tegen zich. Hetzelfde hadden we in mijn eigen bisdom vorig jaar in Reusel, toen de pastoor privaat de openlijk homoseksueel samenlevende prins Carnaval verzocht tijdens de Carnavalsmis niet te communie te gaan of dit jaar toen de pastoor van Liempde een kerkelijke uitvaart weigerde aan een parochiaan die zijn uitvaart al reserveerde voordat hij dood was omdat hij die dag euthanasie liet plegen. Het merendeel van de gelovigen komt in opstand tegen die pastoors. Dat is het resultaat van jaren gedogen.

III WAT MOET ER GEBEUREN?
Dr. Theo Schepens, emeritus godsdienstsocioloog van de universiteit van Tilburg heeft bij herhaling gezegd dat sociologisch gezien de vrijzinnigheid, die het gevolg is van het modernisme en het relativisme, leidt tot verdwijnen van het geloof en de Kerk. Dat kun je al zien bij de protestanten die al veel eerder dan wij vrijzinnigheid kenden. De streken waar de vrijzinnige gemeentes waren, zijn al lang ontkerkelijkt. Waartoe het ingaan op de vrijzinnigheid in onze tijd leidt, kunnen we, aldus Schepens, zien bij de episcopale (Anglicaanse) kerk van Amerika. Zij kent geen celibaat; zij kent de vrouwenwijding tot aan de bisschopswijding toe. Zij keurt homoseksualiteit goed en kennen zelfs openlijk homoseksuele bisschoppen. In leerstellig opzicht zijn ze zeer ruimdenkend. Als er een kerk bezig is te verdwijnen, volgens Schepens, dan is het wel die episcopaalse kerk van Amerika. Ter rechterzijde willen veel parochies katholiek worden en ter linkerzijde verdampt de zaak. Daar tegenover zien we in Nederland dat de kerkgemeenschappen die het ‘t beste doen, de kleine orthodoxe protestantse kerken zijn. Zij hebben nog jeugd (vgl. de EO-jongerendagen). Het is fijn als je steun krijgt vanuit de sociologie maar de Kerk moet naar zichzelf en naar haar eigen Traditie kijken. Ook daar zien we dat de Kerk vanaf het allereerste begin gestreden heeft voor de orthodoxie, niet omdat ze star wil vasthouden aan het verleden maar omdat dit het depositum fidei (de geloofschat) is die haar door Christus zelf is toevertrouwd. Uit die geloofsschat vloeien voort de katholieke liturgie en de katholieke moraal. Zij maken tegelijk deel uit van die geloofsschat. In het aanvaarden van die geloofschat, in het beleven van die katholieke moraal en het vieren van de katholieke liturgie, ligt de identiteit van katholieke bisdommen, parochies en instituties en van de individuele gelovigen. Want in die geloofsschat ontvangen we de katholieke waarheid omtrent God, omtrent Jezus, omtrent verlossing; in de katholieke moraal zeggen we met ons leven ja tegen God, tegen Christus, tegen het evangelie. In de liturgie ontvangen we in Christus Gods heil en brengen we met Hem en heel de katholieke Kerk de verschuldigde eer en eredienst aan God de Vader. De kracht van de Kerk ligt in haar orthodoxie, haar trouw aan de geloof schat. Niet de macht van het getal is de kracht van het evangelie, maar de zuivere beleving ervan die telkens weer om bekering en vergeving vraagt. Niet de aanvaarding door de mensen is de kracht van het katholieke geloof, maar het feit dat het Gods waarheid is. En dat laatste geloven wij. Niet of individuele groepen of individuen de liturgie aansprekend vinden, is doorslaggevend voor de wijze van vieren, maar of het de geheimen van het geloof zijn zoals ze door de Kerk in haar vieringen gegarandeerd zijn. Als we ons van dit alles bewust zijn, als we ons niet meer laten leiden door de macht van het getal of door wat de media ervan zullen zeggen, maar gewoon verkondigen en geloven wat de Kerk verkondigt en gelooft; als we de liturgie van de Kerk vieren zonder "opleuksels” om mensen te trekken, zonder toegevingen aan incidentele bezoekers; als we werkelijk de christelijke moraal uitdragen en vooral in eigen gelederen beleven, dan staan we weliswaar enigszins haaks op de maatschappij van vandaag, maar dan zijn we wel het evangelische licht op de kandelaar en het zout voor de maatschappij. We moeten terug naar de tijd waarin de Kerk begonnen is. Het vasthouden aan een verleden dat voorbij is, heeft geen zin en is contraproductief. Er is geen volkskerk meer; er is daarentegen volksheidendom, juist zoals in de eerste eeuwen van de Kerk. Toen paste de Kerk zich niet aan. Ze leefde haar eigen leven, als een stille kritiek op die maatschappij en won uiteindelijk aan kracht zozeer dat zij de dragende kracht van de maatschappij werd. Daar moeten we opnieuw naar streven, met de kleine groep die we zijn. Dat vraagt duidelijke keuzes van iedereen, van bisschoppen, priesters en gelovigen. Zelfbewust katholiek zijn. Opnieuw zout zijn. Daar ligt toekomst, niet in de aanpassing.
 
pastoor Cor Mennen
 
 
 

Reacties:

Er zijn nog geen reacties op dit bericht geplaatst.


Reageren:


Terug naar de vorige pagina >